Lof voor EU over Orient House

TEL AVIV, 9 SEPT. Nabil Abu Rudeineh, de woordvoerder van president Arafat, heeft gisteren in een officiële verklaring zijn waardering uitgesproken voor de Europese Unie. “Het feit dat de Europese Unie erop staat om tegen de wil van Israel Orient House te bezoeken, wordt gezien als de eerlijke en oprechte uitdrukking van de Europese steun aan de Palestijnen en aan hun standpunt betreffende Oost-Jeruzalem.”

In het Israelische ministerie van buitenlandse zaken wordt daarentegen steeds duidelijker gesuggereerd, dat de Trojka hier helemaal niet officieel zal worden ontvangen, als zij haar zin doordrijft.

Terwijl de partijen de messen slijpen, hebben vier Israelische parlementariërs - leden van de 15 man tellende Knesset-commissie voor binnenlandse zaken en allen behorend tot de oppositie - gisteren een officieel bezoek gebracht aan Orient House. Zij werden ontvangen door Faisal Husseini, de bestuurder van dit instituut. Vervolgens bezochten zij Hatem Abdel Khader, lid van de Palestijnse Wetgevende Raad. Hij woont in Beth Hanina, een Arabisch dorp dat nu deel van Jeruzalem uitmaakt. Hij houdt kantoor aan huis, wat door de Israelische autoriteiten als politieke activiteit van het Palestijnse Gezag wordt aangemerkt. Toen hij - ook na druk van Yasser Arafat - weigerde om zijn kantoor te verplaatsen naar gebied dat onder het Palestijnse Gezag staat, werd zijn meubilair door de Jeruzalemse politie in beslag genomen.

Volgens Salah Tarif, de voorzitter van de Knesset-commissie voor binnenlandse zaken en lid van de druzische minderheid, was het bezoek aan Orient House bedoeld om kennis te nemen van de problemen van de Arabische bevolking van Jeruzalem en helemaal niet als het groene licht voor buitenlandse diplomaten. “Ik beschouw deze bijeenkomst als elke andere die wij hebben met een commissie die een specifieke groep vertegenwoordigt”. Het was, zei hij, weliswaar regeringspolitiek om zich te keren tegen de bezoeken van buitenlandse diplomaten aan Orient House, maar de regering kon de gekozen volksvertegenwoordigers zo'n verbod niet opleggen. Bovendien “zijn er hier mensen met zeer ernstige problemen. En ik als Israeliër schaam mij ervoor hoe deze burgers en hun meest elementaire problemen worden behandeld.”

Drie andere leden van de commissie, behorend tot de regeringspartijen en de partij Moledet, die de regering steunt, wilden het gebouw, dat zij zien als “het hoofdkwartier van het Palestijnse terrorisme in Jeruzalem”, alleen onder politiebescherming betreden. Dat weigerde hoofdcommissaris Arjeh Amit. Hij zei dat het niet gevaarlijk was Orient House binnen te gaan.

De regering is razend maar kan weinig doen, behalve roepen dat de oppositie op een schandelijke manier buiten haar boekje is gegaan door op deze manier het Orient House “legitimiteit te verschaffen” en “de deling van Jeruzalem te steunen”. Volgens Ehud Olmert, de burgemeester van Jeruzalem, die binnenkort door de openbare aanklager, Michael Ben Yair, in staat van beschuldiging zal worden gesteld wegens financiële fraude ten behoeve van Likud, is het bezoek een provocatie. De Jeruzalemse Arabieren moeten - zei hij - hun problemen aan de gemeenteraad voorleggen.

Orient House symboliseert, sinds de vredesconferentie van Madrid eind 1991 bijeenkwam, maar vooral sinds Israel en de PLO in 1993 hun Principe Akkoord over vrede tekenden, de aanspraken van de PLO om van Jeruzalem de hoofdstad van de Palestijnse staat te maken. Daarom werden hier de gesprekken gevoerd tussen de Palestijnse onderhandelingsdelegatie en buitenlandse diplomaten.

Alle Israelische regeringen beschouwen daarentegen Jeruzalem als hun eeuwige en ondeelbare hoofdstad. Onder de regering-Rabin nam de Knesset eind 1994 een wet aan, waarbij de PLO elke politieke activiteit in Jeruzalem werd ontzegd. De wet was vooral gericht tegen de activiteiten van het Orient House. Premier Netanyahu wil de wet met veel grotere strengheid uitvoeren. Naar zijn mening schond de PLO zowel de wet, als alle met Israel gemaakte afspraken over Jeruzalem, met medeweten van de vorige regering.

Volgens de Palestijnen is Orient House helemaal niet verbonden met het Palestijnse Gezag, omdat het al lang functioneerde voordat de eerste autonomie-akkoorden werden getekend. Bovendien beroepen zij zich op een brief van Shimon Peres, die als minister van buitenlandse zaken in oktober 1993 de schriftelijke verzekering gaf aan zijn Noorse collega dat Israel zich verplicht “om de activiteiten van de Palestijnse instellingen in Oost-Jeruzalem niet te verhinderen, maar ze integendeel aan te moedigen”.