John Eliot Gardiner

Mozart: Die Zauberflöte; The Monteverdi Choir, The English Baroque Soloists en solisten o.l.v. John Eliot Gardiner (Archiv, 449 166-2)

Beethoven: Pianoconcert nr. 5 en Koorfantasie; Robert Levin (fortepianos) en Orchestre Révolutionaire et Romantique en The Monteverdi Coir o.l.v John Eliot Gardiner (Archiv, 447 771-2)

Die Zauberflöte was in 1995 de laatste semi-scènische opera van de Mozart-cyclus die dirigent John Eliot Gardiner met zijn English Baroque Soloists en Monteverdi Choir in het Holland Festival uitvoerde. Het was niet het hoogtepunt van de cyclus, die in 1990 begon met La Clemenza di Tito. Maar dat gold vooral de enscenering, die wat minder subtiel was dan de voorstellingen daarvoor. Hoewel ook in de cast enkele zwakheden zaten. Harry Peeters mist voldoende diepte, en daardoor autoriteit om als Sarastro voldoende indruk te maken. En Uwe Peper klinkt net niet lelijk genoeg om als Monostatos te overtuigen. Maar voor de rest is de cast uitstekend. Christiane Oelze is een frisse Pamina. Michael Schade maakt van Tamino een krachtdadige prins, Gerald Finley geeft reliëf aan de grootspraak van Papageno en Cyndia Sieden heeft geen problemen met de hoogte - de graadmeter voor een geode Königin der Nacht.

De kracht van Gardiners Mozart is de uitstekende vermenging van muzikale en theatrale intimiteit en orkestrale klankrijkdom. Hij maakt waar nodig grote contrasten en beschikt over een uiterst wendbaar orkest, dat daarmee geen problemen heeft). Ook in deze Zauberflöte klinken felle contrasten, maar zonder dat het gekunsteld wordt.

Gardiner lijkt voorlopig Mozart even achter zich te hebben laten. Dit jaar was hij in het Holland Festival te horen met een semi-scènische uitvoering van Leonore (de oer-versie van Fidelio) van Beethoven - die verschijnt dus volgend jaar op cd. Intussen neemt hij met pianist Robert Levin een complete cyclus op van Beethovens pianoconcerten. De eerste cd, met het Vijfde pianoconcert 'Kaiser' is zojuist verschenen.

De musici heten geen 'baroksolisten' meer, maar 'revolutionair en romantisch orkest'. Vaak zijn het dezelfde personen, ze bespelen alleen andere instrumenten.

Robert Levin speelt op een fortepiano die in 1812 werd gebouwd door Salvatore Lagrassa. Het is ontegenzeggelijk een mooi instrument, met een tintelende klank en toch een redelijke stevigheid om uitdrukking te geven aan Beethovens gevoelsexplosies. Maar het contrast tussen piano en orkest blijft op authentieke instrumenten een probleem. Zeker omdat Gardiner het orkest regelmatig voluit laat gaan. In vergelijking met die orkestklank blijft de piano wat achter. Levin speelt voortreffelijk, maar een echte klavierleeuw, die als solist de show steelt, kan op een authentiek instrument onmogelijk zijn.

Gardiner heeft het pianoconcert gecombineerd met de weinig uitgevoerde Koorfantasie voor piano koor en orkest op. 80, die Beethoven in 1808 componeerde. En als om te bewijzen dat hij historisch geïnteresseerd is, staan er aan het slot ook nog twee alternatieve, geïmproviseerde passages die voor de finale zouden hebben kunnen klinken (en met een programmeerbare cd-speler gemakkelijk op die plek kunnen klinken).