Het top-uitje van Kabul

Het vriendelijke gezicht van Mohammed Akbar, de hoofdoppasser van de dierentuin van Kabul, staat weer iets vrolijker, al zit het nu vol rimpels en is zijn haar grijs geworden. Twee lange jaren lag de diergaarde pal in de frontlijn en met intens verdriet zag hij de meeste van zijn geliefde dieren een voor een sterven.

Sommige werden geraakt door granaatscherven of kogels, andere door neervallend puin van het eigen hok, terwijl weer andere in een shocktoestand raakten en stierven. De olifant bij voorbeeld raakte geheel van slag door het gedreun en geratel van de strijd. Luid trompetterend liep hij rond tot hij aan de spanningen bezweek.

Vaak lag de thans 50-jarige Akbar zelf ook ergens angstig opgerold op het terrein, hopend dat hij de furieuze schietpartijen maar zou overleven. Toch bleef hij elke dag, hoe hels de strijd tussen de Afghaanse facties ook oplaaide, trouw voor de dieren zorgen. Het vlees voor de roofdieren haalde hij op de fiets uit een naburige bazar. “Ik werkte hier al veertien jaar, toen het vechten begon”, legt Akbar uit. “De dieren waren gewoon mijn vrienden geworden.”

Gezeten in een zwaar gehavend gebouw vertelt hij treurig hoe een tijger op zekere dag ernstig rugletsel opliep door het oorlogsgeweld. Toen Akbar en een collega bij hem kwamen, keek het beest hen aan, keerde zich gewillig naar hen toe en liet zich als een kind een penicillinecapsule toedienen. “Ik zal het nooit vergeten”, zegt Akbar ontroerd, “hij was precies als een ziek mens.” Na elf dagen stierf de tijger alsnog.

Een nieuw dieptepunt van menselijke onwaardigheid werd vorig voorjaar bereikt. Een waaghals was toen over de omheining van het leeuwenverblijf geklommen en de imposante mannetjesleeuw maakte korte metten met de indringer. Een broer van de dodelijk gewonde man besloot daarop wraak te nemen. Hij keerde de volgende dag terug en gooide een handgranaat naar de leeuw. Vooral de kop van het dier was een ravage. Zijn ogen waren één bloederige massa, een kaak was gebroken en hij miste ettelijke tanden.

Vervuld van medelijden zocht Akbar vervolgens hulp bij enkele buitenlandse artsen, die gewoonlijk de geteisterde bevolking van Kabul noodhulp verleenden. Na vele mislukte pogingen slaagden Akbar en enkele collega's erin de leeuw enigszins te boeien met touwen, waarna een moedige medewerker van de dierentuin een forse injectiespuit drukte in het machtige leeuwenlijf. Die brak echter prompt af. Een tweede poging was succesvoller en korte tijd later zeeg de leeuw ineen en kon de behandeling beginnen.

Eerst maakte een Franse dokter van Artsen zonder Grenzen zich op voor het karwei, maar ze realiseerde zich dat ze eigenlijk te weinig chirurgische ervaring had voor dit ongebruikelijke geval. Daarop werd een beroep gedaan op de Nederlandse arts Harry Jeene, die dikwijls chirurgische ingrepen bij oorlogsgewonden had uitgevoerd.

“Het was een vreemde ervaring”, aldus Jeene, die nog steeds in Kabul werkzaam is, “toen ik bezig was zijn kaak met ijzerdraad te repareren en met mijn hand in zijn muil zat, begon hij plotseling weer licht te grommen. Toen heb ik de anderen snel gevraagd hem nog even een extra spuitje te geven. Wat me ook is bijgebleven, is dat zijn adem helemaal niet stonk.”

Jeene verwijderde de waardeloos geworden en totaal ontstoken ogen en fatsoeneerde het geschonden gelaat van de leeuw enigszins. De leeuw bleef in leven en vormt nu een van de belangrijkste attracties van de dierentuin. Bijna iedereen in Kabul kent zijn verhaal. “Hij is nu weer zo goed hersteld, dat hij af en toe de leeuwin beklimt”, meldt Akbar lachend.

Opgewekt voert Akbar, zijn onafscheidelijke pakul (een soort grote Afghaanse uitvoering van de alpinopet) op het hoofd, de bezoekers langs de gedecimeerde bevolking van de dierentuin. Er zijn nog enkele zwarte beren over, een paar wolven, wat apen, een enorm everzwijn, een vos, een paar slangen, uilen, een gier en enkele konijnen.

Die konijnen hebben de dierentuin een aangename verrassing bereid door een paar maanden geleden te jongen. Het was het eerste nieuwe leven in de dierentuin sinds het gebulder van de kanonnen en geweren ruim een jaar geleden ophield. Sindsdien landen er nog steeds raketten op Kabul maar zelden meer in deze omgeving.

Een bezoek aan de dierentuin is ongeveer het enige uitje dat er nog mogelijk is in Kabul, want de nieuwe premier Gulbuddin Hekmatyar, wiens factie de dood van veel dieren in de diergaarde op haar geweten heeft, heeft onlangs de bioscopen laten sluiten omdat de vertoonde films niet islamitisch genoeg zouden zijn. Tientallen jongetjes en mannen komen zich dan ook elke dag vergapen aan de dieren. Op vrijdag, de islamitische zondag, mogen alleen gezinnen er in.

Niet iedereen komt overigens naar de dierentuin voor de beesten. Sommigen is het slechts om het hout van de talrijke bomen begonnen, want brandstof is kostbaar in het nog altijd belegerde Kabul en men moet zijn potje toch ergens op koken. Ook tijdens ons bezoek stormt een oppasser plotseling naar een groene hoek van de diergaarde en keert even later terug met een sip kijkende takkendief, een vers afgezaagde grote tak nog in zijn hand. Hij wordt een paar keer flink door elkaar geschud en kan dan inrukken, met achterlating van de tak. De oorlog zal de dierentuin van Kabul nog lang parten blijven spelen.