Een taalmonument

Stel je voor: een Friese enclave onder de rook van Amsterdam. Een dorp waar op straat, in de winkels, op school, in het café alleen Fries wordt gesproken. Waar 'immigranten', niet-Friezen die zich in dit dorp vestigen, Fries moeten leren omdat ze anders niet geaccepteerd worden.

Ondenkbaar? In Ierland niet, want daar is zo'n taalenclave. Ten westen van de hoofdstad Dublin ligt het dorp Ráth Cairn, waar de ruim vijfhonderd inwoners uitsluitend Iers, oftewel Gaelic spreken. Weliswaar is deze oude Keltische taal de eerste en officiële taal van Ierland, maar in de praktijk wordt het nog maar door ongeveer 60.000 mensen in het dagelijks leven gebruikt. En die wonen vooral in het Westen van Ierland - behalve dus de dorpelingen van Ráth Cairn. Er zit dan ook een mooi verhaal aan vast, zo blijkt als we er in de plaatselijke pub belanden.

Het is de trotse Colm Dubh O Méalóid die ons naar zijn dorp heeft gebracht. Ons, dat zijn twee Basken, een Sorb (uit de buurt van Dresden), twee Slovenen uit Triëst, twee Gaelic sprekende Schotten, een Fries en mijzelf als Friessprekende. We hebben allemaal iets met (kleine) talen en zijn daarom door het Bureau voor Minderheidstalen van de Europese Unie uitgezonden om de positie van het Iers te bestuderen. Al een hele week vervoert Colm ons in zijn minibus in een moordend tempo door Ierland. Zonder ons rust te gunnen brengt hij ons naar scholen, organisaties, radiostudio's, universiteitsfaculteiten en andere instellingen waar Iers de voertaal is. We discussiëren er met docenten, scholieren, journalisten, zakenlui, zangers en anderen over het nut en de toekomst van kleine talen. Over het Iers (of Retoromaans, of Fries, of Catalaans) als belangrijke uitdrukking van een eigen sociaal-culturele identiteit. Over de voordelen van een tweetalige opvoeding (je leert andere talen makkelijker). Over de taal als een immaterieel monument dat net zozeer voor verval en ineenstorting moet worden behoed als een middeleeuwse burcht of een gothische kerk en dus ook evenveel recht heeft op subsidie en restauratie. We krijgen geen genoeg van al die gesprekken en ontmoetingen, we willen méér, méér! Gelukkig is er dan Ráth Cairn. Het staat weliswaar niet op het officiële EU-programma, maar we laten ons er door Colm op de laatste avond graag naar toe slepen. Als we vanuit Dublin aan komen scheuren, blijkt Colm het halve dorp te hebben opgetrommeld om ons, taalkundigen, eens goed te onthalen. Eerst is er eten en drinken in overvloed, vervolgens worden we naar een rommelzaaltje gedirigeerd waar gauw, gauw! keukenstoelen voor ons zijn klaargezet. Want eerst komt de wetenschap, dan de pub.

De intellectuelen van het dorp, zoals de lokale schoolmeester, een amateur-historicus en Colm zelf natuurlijk, doceren ons de bijzondere historie van Ráth Cairn. De meester vat de dorpsgeschiedenis in één zin samen: “Wij wilden gewoon het land terug dat de Engelsen ons in de 17de eeuw hebben afgepakt.” Hij memoreert dat de legers onder Cromwell (1599-1658) de Ieren rondom Dublin verjoegen, steeds verder naar het Westen, tot ze niet meer verder konden. Daar, in de kale en onvruchtbare kustgebieden probeerden de verdreven Ieren een nieuw bestaan op te bouwen. Een vrijwel hopeloze zaak. Toch hielden ze dit armoedzaaiersbestaan enkele eeuwen vol.

“Maar in 1933 kwamen we in opstand!” vervolgt de schoolmeester triomfantelijk. “Kijk maar!” We lopen naar een belendend zaaltje. De muren hangen vol met keurig ingelijste foto's, krantenknipsels en documenten. “Paddy, kom maar”, schalt Colm naar buiten, en daar komt de tachtigjarige Pádraig (Patrick) O Muircheartaigh vanuit de pub aangeschuifeld, een stevig glas Guinness in de hand. Omdat hij het allemaal zelf meegemaakt heeft, mag hij deze museale uitstalling toelichten. Eerst wijst hij op een rij vergeelde foto's van zijn geboortedorp in Connemara. “Ik kom uit dit gezin van elf kinderen. Ons leven was ellendig. Ik herinner me dat ik eeuwig honger had en altijd op blote voeten liep. Het hele dorp werd langzamerhand radeloos. Toen kwam zijn vader (vinger naar Colm) met het plan om met het hele dorp te verhuizen naar betere, vruchtbare grond in de buurt van Dublin. Maar wij kregen van niemand steun: de dorpspriesters wilden volle kerken houden en de politici waren bang om stemmen te verliezen. Ze maakten ons uit voor ongelovigen en communisten toen we zeiden dat we de hongerdood zouden sterven als we geen bruikbaar land kregen.”

De oude baas troont ons verder naar de ingelijste krantenknipsels. “We besloten tot een wanhoopsdaad, waarmee we alle kranten in Ierland hebben gehaald, zie je wel? In het diepste geheim (de politie zou ons anders tegenhouden) vertrokken we in 1934 in een pikdonkere nacht met 38 dorpsgenoten per fiets naar Dublin, zo'n tweehonderd kilometer ver over hobbelige wegen. Daar aangekomen fietsten we naar het parlement, waar we een gesprek met premier Eamon de Valera eisten - en kregen.

“Wij willen land bij Dublin, schreeuwden we. De Valera, zelf held van de Ierse opstand in 1916, stribbelde zwakjes tegen: 'Hoe kan ik de mensen uitleggen dat ik jullie zomaar land geef?' Wij hadden daar wel een antwoord op: 'Zeg hun dat wij het land terugnemen dat Cromwell ons 300 jaar geleden heeft afgepakt'.”

Pádrag O Muircheartaigh schuift tevreden zijn pet naar achter en wijst op de volgende serie foto's: de stichting van de nederzetting Ráth Cairn. Want een jaar later konden twintig gezinnen met gemiddeld tien kinderen vanuit hun dorp in Connemara verhuizen naar een mooi stuk land in het graafschap Maeth. Ze bouwden er huizen, een school, winkels en natuurlijk de pub. “Voor velen van ons was de overgang een hele schok', zegt hij. “Ze kenden alleen de boomloze Ierse westkust en toen zagen ze opeens al dat groen hier, al die sappige weiden..”

Ruim zestig jaar is het allemaal geleden en Ráth Cairn is, aldus Colm, nog altijd 'een eiland van saamhorigheid, niet alleen door onze afkomst, maar ook door het gebruik van het Iers als onze eerste taal.' De dorpelingen houden er strikt aan vast. Zo worstelt nu de Russische echtgenote van een van de bewoners met de moeilijke Ierse grammatica.

Na al deze verhandelingen mogen we eindelijk de pub in. We zingen er het hoogste lied - in het Baskisch, Sorbisch, Fries of Iers, dat maakt niet uit. De oude Pádraig bekijkt ons vanachter zijn bier aan de bar. Tussen twee slokken door hoor ik hem mompelen: “Hier is mijn huis, Maar ik mis de zee, o wat mis ik de zee.