Campo wint bij Gaudeamus met te veel aan esthetiek

Internationale Gaudeamus Muziekweek 1996: Radio Kamer Orkest, Koor Nieuwe Muziek en Gaudeamus Ensemble. Gehoord: 2-7/9 Amsterdam.

De 28-jarige Franse componist Regis Campo kreeg zondag in de Amsterdamse IJsbreker de Gaudeamus Prijs 1996 (10.000 gulden) voor zijn Commedia voor negentien musici uit 1996. Eervolle vermeldingen waren er voor de 31-jarige Duitser Markus Schmitt voor zijn Escalada voor kamerorkest en voor de 27-jarige Koreaanse Soorang Jeonog als bekroning van een kwartet voor slagwerk. Statistisch gezien lag dit laatste voor de hand: onder de zestien uitgevoerde werken in een selectie van 338 partituren uit 39 landen had de jury (Christian Lauba, Gerard Brophy en Theo Loevendie) liefst acht Aziatische composities gekozen!

Het Gaudeamus-beleid is er doorgaans op gericht om niet zozeer vrijblijvende esthetiek te belonen, maar zich in te zetten voor talent dat risico's neemt. Markus Schmitt is in dit opzicht een logische keus: hij poneert in zijn neo-expressionistisch werkstuk een tegenstrijdig conflict tussen de wil te klimmen en tegelijk het gevoel te hebben om te dalen. Daar kon ik weliswaar nauwelijks in geloven, maar hij stelde wel iets interessants aan de orde.

Regis Campo hield het op de alternerende en veel vrijblijvender tegenstelling tussen een zich fel ontladende energie in snelle noten en een blijven hangen op zachte klankflarden. 'Technisch' was het goed, het klonk prachtig, maar dat betoog was te voorspelbaar. Waar Schmitt naar toe wilde, bleef tot het Ives-achtige slot in het ongewisse en dat alleen al wist te boeien.

Tegenstellingen, daar draaide het om. Zoals bij de Argentijnse Andrea Pensado in een soort van hysterisch hoorspel voor twaalf stemmen in het contrast rationeel/irrationeel. Na een hevige explosie volgde een kort naspel voor vioolsolo! Een vondst, maar niet echt waargemaakt, want die noodzaak bleef onduidelijk. Pensado heeft interessante ideeën, maar weet niet goed hoe ze die moet uitwerken. Als zodanig sprong ze eruit, want meestal was er met het handwerk niets mis, maar schortte het aan fantasie, of beter: durf.

De Canadees Z. Chesky Neceski had in de The Prophets of Pella voor koor en ensemble zijn inspiratie gezocht in folklore. Philip II van Macedonië ligt op een bed en wordt in een droom bezocht door zes profeten, die hem openbaren dat hij een zoon zou krijgen die onnavolgbaar roemrijker in de strijd zal zijn.

Deze episode bevat de introductie tot een theaterwerk dat op zijn beurt een fragment is van een groter epos over het leven van Alexander de Grote, geïnspireerd door R. Murray Schafer's theater van confluentie, waarin geen scheiding is tussen de voorstelling en het daarin vrij rondlopende publiek. Durf is Neceski dus niet te ontzeggen, maar al weet hij redelijk te overtuigen in de uitbeelding van een droomtoestand, wanneer hij ons visioenen van terreur voorschildert, valt hij in een Hollywood-stijl door de mand.

Maar het kan nog veel filmischer! Zo ontaardde een orkestwerk van de Koreaan Hyo-Sung Kim in regelrechte oriëntaalse kitsch. Joyce Bee Tuan Koh uit Singpore toonde zich daarentegen minder exotisch dan de titel van haar orkestwerk deed vermoeden (Granieten Haven, met als ondertitel: de adem van de draak!), helaas heeft een continu trage orkeststroom kop noch staart.

De inschakeling van deelnemers aan het Kirill Kondrasjin-dirigentenconcours bij het Radio Kamer Orkest pakte ongelukkig uit. De jonge dirigenten deden niet meer dan de maat slaan. Hulp voor de componisten was er wel van chef-dirigent Peter Eötvös in een intens geladen, zelfs overspannen compositie van Robert Platz, die dan ook stond als een huis.

Zelf had ik een vermelding toegekend aan de Zwitserse componist Nadir Vassena voor zijn koor Mysterium Lunae. Zonder te beweren dat dit componeren te vergelijken is met de glorierijke momenten van inzicht zoals geboden in de keus van zijn alchemistische teksten, was hier sprake van een beheerst én interessant uitgewerkte tegenstelling in dramatisch en mystiek opzicht.

Hetzelfde gold voor Pietro Borradori (cantate Puer Aeternus) in het contrast van schoonheid (wollige koorpartijen) en ruigheid (spervuur van repeterende tonen in de blazers) en tevens voor Michael Oesterle in Bruno voor vlammend spreekkwartet en sensueel koor. Zíj hadden reeds hun kwaliteiten bewezen: Borradori werd in 1994 en Oesterle in 1995 bekroond met de Gaudeamus Prijs.