'Beste speurders zijn wilde ratten'

Landmachtofficier H. Jongen is een bekende voor zowel collega-speurders als olfactologen (reukzindeskundigen).

D. Lachaert, lid van het Belgische 'Disaster Victim Idenfification'-team, werkt in België nauw met Jongen samen. Volgens hem heeft België niemand met dezelfde expertise. “Wij trachten een specialisatie aan te kweken voor de idenficatie van lichamen. Maar opsporen, dat is toch iets anders. Harry doet dat constant. Er is een massa dingen die hij weet waar wij geen benul van hebben.”

“Hij heeft vooreerst zijn stick waarmee hij stalen neemt. En dan geeft hij aanwijzingen op zicht. Het zijn eenvoudige zaken, maar als ge 't niet weet... het moet u eens gezegd zijn.”

“In Charleroi stond een loods op het terrein, die was te laag voor een kraan. Dan moet je al die gangen gaan afgraven met een schop, bijna niet te doen. Maar om echt effectief te werken is er maar een middel en dat is afbreken. Dat was een suggestie van Harry. Daar hadden wij nooit aan gedacht. Het was de laatste vlek die we doorzochten en daar werden de meisjes gevonden.”

Lachaert noemt Jongen “gedreven” en “zeer betrokken”. “Hij blijft aanwijzingen geven, niet een keer, hij gaat door. Dat is ook heel belangrijk. Maar ik wil hem niet al te veel zeem aan z'n baard smeren.”

In Nederland heeft de neus van Jongen een grote reputatie. “Het schijnt een zeer persoonlijke eigenschap te zijn”, verklaart een woordvoerder van de landmacht geheimzinnig. Pierre Geurts, operationeel leider van het team dat Jongen eind '94 inzette bij het zoeken naar slachtoffers van de bende van Venlo: “Het is niet zo dat Jongens neus drie keer zo groot is als die van andere mensen of dat hij tien keer zo goed kan ruiken, maar hij heeft zijn reukvermogen wel goed getraind.” Jongen vond in Limburg geen lijken, maar wel het ondergrondse kadaver van een ree, voor het Venlose team een overtuigend bewijs van zijn talent. Het systematische onderzoek van Jongen kan ook dienen om de zekerheid te geven dat ergens géén lichamen begraven zijn, benadrukken politiewoordvoerders.

H. Holtslag, hoofd van de vakgroep techniek van de rechercheschool in Zutphen, wijst erop dat wie zijn reukvermogen traint in het ruiken van lijken, slechts kleine hoeveelheden van de geur nodig heeft om deze te herkennen. Holtslag: “Als wij een kamer in lopen waar een lijk van veertien dagen oud ligt, dan is het niet moeilijk dat te ontdekken. Als het er drie jaar ligt, ruik je het niet. Kapitein Jongen wel.”

Overigens vergeet iemand die een lijk heeft geroken deze lucht nooit meer, zo verklaren politiewoordvoerders en geurdeskundigen. “Van een lijkenlucht slaat iedereen op tilt. Wie een lijk ruikt, reageert als door een wesp gestoken”, zegt olfactoloog A.P.J. Hendriks, experimenteel psycholoog aan de universiteit van Utrecht, die reuktesten ontwerpt voor patiënten met reukstoornissen. Vooral de afbraak van eiwitten en aminozuren zorgt volgens Hendriks voor de doordringende geur.

Suggesties als zou Jongen beter kunnen ruiken dan lijkhonden, worden door deskundigen naar het rijk der fabelen verwezen. “Het lijkt mij uitermate onwaarschijnlijk dat een mens beter ruikt dan een hond”, zegt keel- neus- en- oorarts S. van der Baan uit het Gooi-Noord ziekenhuis in Blarcium, bestuurslid van de Nederlandse KNO-vereniging. Veterinair fysioloog R. Veneklaas van de universiteit Utrecht: “Dat een mens beter zou kunnen ruiken dan een hond, is een stelling die ik niet kan onderschijven.”

Ook E.P. Köster, hoogleraar fundamenteel en toegepast onderzoek naar chemische zintuigen in Utrecht, zegt dat honden gemiddeld veel beter ruiken dan mensen. “De wereld van honden bestaat voornamelijk uit reuk. Honden kunnen bijvoorbeeld menselijke zweetlucht fabelachtig onderscheiden, door schoenzolen heen.” De beste speurders zijn vermoedelijk wilde ratten, zegt Köster. Wel blijkt uit onderzoek dat mensen voor enkele stoffen gevoeliger kunnen zijn dan dieren, stoffen die voor dieren vermoedelijk betekenisloos zijn. Lijkenlucht komt daarvoor echter volgens Köster niet in aanmerking. Tussen mensen onderling bestaan grote verschillen in reukzin. Bepaalde mensen ruiken volgens Köster duizend keer beter dan anderen. Een kwestie van aanleg, meent hij.