Wetenschap tussen parafrase en bedrog

Op verzoek van de redactie belicht P.J.D. Drenth de regels voor de omgang met andermans intellectueel eigendom.

Toen Van Kolfschooten enkele jaren geleden in zijn boek 'Valse vooruitgang: bedrog in de Nederlandse wetenschap' ons weer eens leidde langs een reeks van bekende en onbekende incidenten in de wetenschap - variërend van kruimeldiefstal tot grootscheepse vervalsing van gegevens - achtte hij het niet ondenkbaar dat de reacties uit de wetenschap zelf onderkoeld zouden zijn, en dat zijn boek spoedig zou verdwijnen tussen de stapels 'Academisch Wereldtijdschrift', het overbodige drukwerk uit een van Willem Elsschots romans. De Nederlandse universiteiten toonden zich, aldus de schrijver, niet echt verontrust over het verschijnsel bedrog in de wetenschap.

Hij vond ook de grote terughoudendheid van de Nederlandse wetenschap om mee te werken aan zijn enquête naar dit soort incidenten niet pleiten voor een bereidheid deze zaken aan de kaak te stellen en aan te pakken. Ook Paul Witteman vroeg mij in de NOVA-uitzending van 28 augustus jongstleden, naar aanleiding van het recente plagiaatincident, waarom de collega's zo laat reageren. Hij uitte daarmee impliciet eenzelfde scepsis inzake deze bereidheid tot opening van zaken.

Is deze verwachting juist? Is er in dezen gebrek aan openheid en vegen de beoefenaren en bestuurders van de wetenschap in Nederland dergelijke voorvallen het liefst onder het karpet? Hoe ernstig is dit soort zaken en hoe ernstig nemen we het op?

Laat ik beginnen met te stellen dat een gering animo om aan fraude-enquêtes van journalisten mee te werken niet direct uitgelegd mag worden als een aanwijzing voor het niet serieus willen nemen van fraude en wangedrag. Meestal is daarbij niet duidelijk hoe de eventuele gegevens worden verwerkt, getoetst en gerapporteerd, en we weten uit sociaal-wetenschappelijk onderzoek dat zekerheid hieromtrent een belangrijke voorwaarde is voor deelname aan dergelijk onderzoek. Ook worden - met alle respect - de intenties van journalisten niet altijd geheel vertrouwd.

Toch is er een, bijna natuurlijke, reserve om met dit soort zaken over collega's voor de dag te komen, ingegeven door een behoefte om geen vuile was buiten te hangen, de beroepsgilde te verdedigen, en ook om personen te beschermen. Daar komt bij dat men, vanwege de ernst van de van de consequenties, wel erg zeker van zijn zaak moet zijn. En, zoals we hieronder zullen zien, is dat in veel gevallen niet eens gemakkelijk. Er zijn vloeiende overgangen van bewust frauderen via te grote onzorgvuldigheid naar ethisch aanvaardbare slordigheid.

En nu spreek ik nog niet over mogelijke juridische gevolgen voor de aanklager. Een niet ondenkbare aanklacht wegens smaad of laster kan zeker bedreigend zijn. Anonimiteit is daarbij niet altijd een volledige bescherming, zoals de bekende casus van Vinken ons laat zien. Uiteindelijk moest deze voor de rechter toegeven dezelfde persoon te zijn als de pseudonieme Reil, die ooit in het studentenblad Parasol een aanklacht tegen Buytendijk had geschreven, dat hij in diens boek 'De Vrouw' zonder bronvermelding stukken had overgenomen van een boek van Philip Lersch. (De rechter stelde hem overigens wel in het gelijk).

Door deze terughoudendheid èn de moeilijke definieerbaarheid van het wangedrag is het moeilijk een exact beeld te krijgen van de omvang van het verschijnsel. Spectaculaire casuïstiek helpt ons daarbij niet veel verder. In een enquête onder de leden van de American Association for the Advancement of Sciences (AAAS) een jaar of vijf geleden, bleek dat ongeveer een kwart van hen die reageerden de afgelopen tien jaar een of meer incidenten van fraude of plagiaat was tegengekomen. Binnen de Amerikaanse National Institutes of Health (NIH) wordt geschat dat bij één op de 2000 onderzoeksprojecten sprake zou zijn van wetenschappelijk wangedrag.

Het is echter niet denkbeeldig dat dit verschijnsel de laatste jaren toeneemt, ook in Nederland. De toenemende druk op onderzoekers tot presteren, de steeds dwingender wordende plicht tot publiceren, en het steeds sterker terugvallen op output en citaties kan een klimaat creëren waarin onderzoekers te gemakkelijk verleid worden tot dit soort onaanvaardbaar gedrag.

Waar gaat het om, als we spreken van wetenschappelijk wangedrag? Niet alles wat hieronder valt kan over één kam geschoren worden. Het is wellicht goed enige onderscheidingen aan te brengen.

Ten eerste wat aangeduid zou kunnen worden met fraude. Hieronder valt het verzinnen van gegevens, het vervalsen van gegevens, het selectief gebruiken en het 'trimmen' van gegevens. Het gaat hier in het algemeen om geknoei met data.

Ten tweede wetenschappelijke oplichterij: bewust verkeerd gebruik van analysemethoden en statistische technieken, onverantwoorde, te gunstige interpretatie van gegevens, grove nalatigheid bij het trekken van steekproeven of bij het onderzoek van controlegroepen, het bewust verkeerd of selectief weergeven van resultaten van anderen, en dergelijke.

Ten derde plagiaat: het zonder bronvermelding of verwijzing weergeven van onderzoeksresultaten of publicaties van anderen.

Een tweetal opmerkingen over deze vormen van wangedrag:

Ten eerste willen we nog eens onderstrepen wat hierboven reeds eerder is gezegd, namelijk dat de markering tussen onaanvaardbaar en (eventueel nog) aanvaardbaar gedrag niet altijd even duidelijk is. Verzinnen of vervalsen van gegevens is natuurlijk te allen tijde uit den boze. Maar selectief gebruik of trimmen benadert toch de weliswaar betwistbare, maar de door velen wel aanvaarde 'gevalstudie' als bewijsmateriaal, illustratieve analyse of het geëngageerde onderzoek. Bij plagiaat hebben we ook een heel scala, variërend van het letterlijk overschrijven of vertalen van lappen tekst, via het parafraseren van een gedachtengang tot het (zelfs niet altijd bewust) pikken van een idee of plan. Nogmaals, grenzen zijn niet steeds gemakkelijk te trekken.

Ten tweede zijn de eerste twee genoemde categorieën toch wel van wat andere aard dan de derde. De eerste twee, fraude en oplichterij, zijn gewoon wetenschappelijk bedrog. Wetenschappelijk bedrog tast het wezen en de integriteit van de wetenschap aan en leidt tot haar destructie. Als de collega's en ook de maatschappij niet meer kunnen vertrouwen op een eerlijke, onbevooroordeelde wijze van werken, waarin het uitsluitend gaat om het laten spreken van de feiten en het zoeken van de wetenschappelijke waarheid, dan houdt de wetenschap op zinvol en nuttig te zijn.

Plagiaat is ook laakbaar en wetenschappelijk wangedrag, maar als zodanig minder direct schadelijk voor de wetenschap. Er is zelfs wel eens cynisch beweerd dat het goed is voor de wetenschap: de ideeën en vondsten worden nu meer dan eens onder de aandacht gebracht! Maar er moet geen twijfel over blijven bestaan: het zonder referenties pikken van ideeën, gedachten en teksten zonder weet of toestemming van de oorspronkelijke auteur is absoluut ongeoorloofd. Dat moet ook studenten worden bijgebracht: wetenschap bedrijven is zelfstandig denken, analyseren en evalueren. Natuurlijk neem je daarbij kennis van resultaten en gedachten van anderen. Maar als je schrijft en publiceert, geef je aan wat van jezelf is en, via 'proper reference', wat van een ander.

Mijns inziens maakt het daarbij in wezen niet uit of het gaat om wetenschappelijke of populaire literatuur. Natuurlijk hoeft het refereersysteem in beide soorten literatuur niet identiek te zijn. Maar ook bij de tweede vorm blijft het grondprincipe, de plicht tot het erkennen en respecteren van andermans intellectueel eigendom, onaangetast.

Vanuit de zorg voor zowel preventie als een correcte afhandeling van vermeende gevallen van wetenschappelijk wangedrag is vorig jaar door de drie partners in wetenschapsland, de KNAW, NWO en de VSNU, een protocol opgesteld en aangenomen met suggesties tot het voorkómen van wangedrag, en met globale procedures en richtlijnen waarop kan worden teruggevallen wanneer dit gedrag wordt geconstateerd. Wat dat laatste betreft: de universiteiten en onderzoeksinstituten dienen een onafhankelijke commissie in te stellen, die het onderzoek naar vermoed wangedrag verricht. De commissie betracht daarbij grote zorgvuldigheid bij het definiëren van het eventuele vergrijp, maar ook tegenover zowel de aanmelder van vermoede fraude als de beschuldigde. De commissie brengt verslag uit aan het bevoegd gezag. Deze neemt op basis van de conclusies en aanbevelingen de benodigde maatregelen en treft eventuele sancties. Deze laatste kunnen variëren van het geven van een waarschuwing, via het ontzeggen van een aantal rechten tot ontslag of degradatie.

Belangrijker is evenwel de preventie. In onderwijs en opleiding van onderzoekers dient aan dit soort vragen aandacht te worden besteed en normbesef te worden bijgebracht. Onderzoeksleiders dienen ervoor te waken dat de druk ('publish or perish') niet te groot wordt. Er dienen zo nodig standaarden en protocollen te worden ontwikkeld voor precedures bij experimenten en dataverwerking.

Tot slot: reglementering, commissies, ombudsmannen, informanten en sancties zijn allemaal goed en wel. Maar het gaat natuurlijk om het wetenschappelijk geweten en verantwoordelijkheidsbesef van de onderzoeker. Eerst daardoor, en niet door de pakkans of uit angst voor sancties, zal de wetenschap zich goed teweer kunnen stellen tegen bedrog of frauduleuze praktijken. Dat moet de student en de jonge onderzoeker indringend worden bijgebracht. En daarvoor dragen hoogleraren een bijzondere verantwoordelijkheid.