Uit de verte, geen nieuws

Wat weten we eigenlijk van verre landen? Niet zoveel, en heel vaak het verkeerde. We zijn aangewezen op mensen die voor hun vak verslag uitbrengen van wat daarginds voorvalt. Journalisten bijvoorbeeld. En antropologen. We moeten maar van ze aannemen dat ze goed ingelicht zijn en te goeder trouw.

Buitenlandse correspondenten kennen vaak de taal niet van het land waar ze gestationeerd zijn. Ze laten dan geregeld een inheemse medewerker stukken uitkiezen uit de plaatselijke pers om voor ze te vertalen. Als ze toevallig iemand treffen die er een heel eigen mening op na houdt, of als die assistent hun door regeringsgezinde kringen is toegeschoven, dan sijpelt die visie vanzelfsprekend door in de berichtgeving die wij hier van hen te lezen krijgen. Maar hoe beter onze correspondent ter plaatse is ingevoerd, des te meer contacten onderhoudt hij daar die hij nog wel eens nodig kan hebben, en die hij dus in zijn berichtgeving moet ontzien. Dus meldt hij niet alles wat hij weet.

Er zijn ook mensen die verslag doen uit den vreemde, niet per dag of om de week, maar na verloop van jaren. Dat zijn de vakgeleerden, antropologen of andere verwegkundigen, als daar zijn de amerikanisten, sinologen, afrikanisten, aziologen enzovoort. Vanzelfsprekend kennen zij wel de voertaal van hun werkterrein. Ze weten iets van de landsgeschiedenis en de volkszeden, want daar zijn ze in opgeleid. Het is even afwachten tot hun veldwerk voltooid is, de aantekeningen zijn uitgeschreven en het verslag in de vakpers is gepubliceerd, maar dan zijn van die experts toch de feitelijke achtergronden en de ware toedracht te verwachten. Maar zo gaat dat niet. Tenminste niet altijd. Niet zo vaak.

Het gros van sinologen en andere China-experts heeft tientallen jaren lang en vaak tegen beter weten in het schrikbewind van Mao goedgepraat. Dat was soms uit halfhartig geloof in de Chinese revolutie. En wie echt zo goedgelovig was, moet dus ook wel ongelofelijk dom geweest zijn. Maar het was ook omdat die China-kenners allemaal nog een keer naar Bejing terugwilden. Wie daar geen toegang meer kreeg mocht in eigen land de rest van zijn loopbaan alleen nog in stofjas op de archiefzolder doorbrengen. Een groot publiek volgde zuchtend van ontzag de mirakelverhalen van de China-reizigers en door de vakgenoten werden die maar zelden hardop weersproken.

Maar waarom dat China-schandaal twintig jaar later weer opgerakeld? Omdat het probleem in de antropologie en andere verwegkundes nog steeds bestaat. Onder vakgenoten wordt daar liever niet over gepraat. Laatst nog verscheen een bundel opstellen van prof. Peter van der Veer, die daarin van de eerste tot de laatste bladzij koket met kiezels werpt tegen zijn collega's in de antropologie en de Azië-kunde. Zij zouden zich nog steeds bezondigen aan het Oriëntalisme: de sentimentele mystificatie van de eeuwige Oosterling. In feite is de laatste Oriënt-expert die zich dat permitteerde al jaren geleden in het gedenkalbum bijgeplakt. Maar met zijn schijnkritiek bedekt Van der Veer de tegenovergestelde wantoestand: de dienstbaarheid van antropologen of andere landenkenners aan het tegenwoordige bewind in hun werkgebied. Of, wat nog vaker voorkomt: manipulatie van de feiten om de relaties daar te bewaren, of de opinie hier te paaien.

Laat ik voorbeelden noemen die ik uit de eerste hand heb. Soms ging het voor mijn gespreksgenoot om een knellende gewetenskwestie, maar anderen zaten er helemaal niet mee. Ik noem geen namen en ik verander details.

Een werelberoemde antropoloog doet moedig onderzoek in de diepste binnenlanden naar de rituelen van een oerwoudvolk. Onder zijn ogen worden de mensen geterroriseerd door het dienstdoend regime en de bossen worden uitverkocht voor kaalslag. Nu wil de historie dat dit schrikbewind is voortgekomen uit de bevrijdingsstrijd tegen een koloniale mogendheid, vijftig jaar geleden. Als de geleerde, terug van zijn verre reizen, op college iets zou opmerken tegen de huidige dictatuur ginds, dan zullen zijn studenten, weldenkend en anti-koloniaal als ze zijn, hem na de eerste zin nooit meer laten uitpraten. Althans, dat vreest hij. En misschien terecht.

Een andere volkenkundige is alom erkend als autoriteit over zeden en gebruiken van eilandbewoners in de Stille Oceaan. Het gaat zijn lievelingsvolk niet goed. De bossen worden platgewalst; scholen, hospitalen, waterpompen komen er niet. Kortom, de regering laat de bosbewoners verrekken, verjaagt ze uit hun woongebieden en heeft al eens een heel dorp uitgemoord. Maar de expert kan niet vertellen wat hij weet zonder te onthullen dat de dorpshoofden, zijn oude vrienden en informanten, door diezelfde regering zijn omgekocht en de belangen van de dorpelingen verkwanselen. Dus zwijgt hij.

Nummer drie. Alweer een antropoloog, een die sinds jaren een onophoudelijke burgeroorlog bestudeert in verre Afrikaanse contreien. Maar het geval wil dat de ene partij hier een ambassade heeft en de andere partij niet ver hiervandaan een onofficiële vertegenwoordiging. De onderzoeker houdt liever voor zich wat hij weet van massacres en van de nevenactiviteiten in de internationale drugs- en wapenhandel. Anders krijgt hij een kogel dor zijn hoofd. Tenminste, dat vreest hij. En wie weet met recht.

Een vierde geval is misschien het meest typerend. Een jonge antropologe vertrekt naar Oosterse streken voor onderzoek onder studerende en werkende vrouwen die zich tot de Islam bekennen. Alles wat haar contacten zou kunnen mishagen laat ze doodleuk weg uit haar verslag, want als ze dat onder ogen krijgen, zullen ze niet meer met haar willen praten. En ook zij moet nog een keer terug. Ik ook. Dus is dit nog maar een heel behoedzaam relaas over misbruiken en onzeden van het volkenkennersvolk.