Perfectie van Steely Dan werkt 'live' averechts

Concert: Steely Dan. Gehoord: Ahoy, Rotterdam.

Nog nooit werden tijdens een popconcert zoveel sigaren gerookt als donderdagavond bij Steely Dan. Het allereerste Nederlandse optreden in het 25-jarig bestaan van de groep van Donald Fagen en Walter Becker was voor veel liefhebbers aanleiding om eens een stevige bolknak of havana op te steken. Aan de verfijnde popmuziek met jazzinvloeden van het na vijftien jaar herenigde duo kleeft een sfeer van gezapigheid, die inherent is aan de perfectie die de groep altijd op de tot in de puntjes verzorgde platen nastreefde.

Tournees stonden nooit hoog op Steely Dans prioriteitenlijstje. Als een van de succesrijkste elpeegroepen van de jaren zeventig verschansten ze zich het liefst in de opnamestudio, waar met sessiemuzikanten eindeloos werd geschaafd aan muziek die zich niet leende voor de vluchtige opwinding van een rock 'n' roll-concert. Dat ze nu tot een ander inzicht zijn gekomen, kwam volgens Becker en Fagen omdat ze zich verveelden. Ze kochten een stapel van hun eigen cd's, leerden de veelal complexe akkoordenschema's opnieuw uit het hoofd en zochten een club vooraanstaande jazz-rockmuzikanten.

De perfectie die ook nu weer uit de zorgvuldige arrangementen en afgemeten improvisaties sprak, werkte uiteindelijk averechts. Natuurlijk was het grappig dat het langverwachte Nederlandse podiumdebuut werd ingezet met Do it again, een nummer over alledaagse regelmaat en wielen die maar blijven draaien. Op een podium dat bijna aan het oog werd onttrokken door de muziekstandaards werd het echter een weinig spontane vertoning. Donald Fagen bewoog zich ongemakkelijk achter de elektrische piano, als een blanke Ray Charles met een gestoorde motoriek. Op zijn karakteristieke stemgeluid viel niets af te dingen en de muzikanten volgden braaf zijn aanwijzingen. Maar ontdaan van de vernislaag uit de opnamestudio klonk een lied als 'Reeling in the years' vaak gekunsteld.

Steely Dan speelde haar eigen pauzemuziek met East St. Louis Toodle-oo van Duke Ellington. Voor muzikanten die het zo hoog op hebben met de groten van de jazzwereld, lieten Becker en Fagen hun muziek al te vaak afglijden naar een bedenkelijk soort quasi-jazzrock. Er waren briljante momenten en dierbare herinneringen, zoals de asymmetrisch sax-break in Rikki don't lose that number of de door De La Soul gesampelde blazersriff uit Peg die superstrak uit de toeters schalde. Vooral na de pauze werden de improvisaties langer en oeverlozer. Alle gelegenheid om nog eens rustig een sigaar op te steken.