Nieuwe meester, nieuwe gezel

Hans Sonneveld: Promotoren, promovendi en de academische selectie.

334 blz., Universiteit van Amsterdam 1996, promotor: prof.dr. S. Blume

EEN DIRECTEUR van een onderzoekschool, die een proefschrift schrijft over zijn eigen promotoren en promovendi. Het kan, maar het is wel op het randje. Het is ten dele immers zelfonderzoek en dat is al niet gemakkelijk (of juist al te gemakkelijk), maar ten dele betekent het ook dat je als onderzoeker gebruik maakt van materiaal, dat je in een heel andere functie voor heel andere doeleinden hebt verzameld. Onderzoek-ethisch gesproken ligt dat toch wat moeilijk. De vraag is uiteindelijk of al deze gevaren van te grote betrokkenheid en te weinig distantie, dit verraad van de hoogste klerk, opweegt tegen het grote voordeel van een buitengewone kennis van zaken uit de eerste hand en in dit geval zelfs van een unieke bron van gegevens: Hans Sonneveld hield een wetenschappelijk dagboek bij, lang voor hij besloot te gaan promoveren. Participerend observeren is hier een methodologisch eufemisme geworden voor het eerst een hoofdrol spelen, je vervolgens afvragen in welk stuk je nu eigenlijk stond en tenslotte ontdekken dat je zelf zowel de auteur als de regisseur van het geheel bent.

Dat klinkt allemaal heel fout, maar het resultaat is dat bepaald niet. Ik herkende mezelf niet alleen terug in het handelen van collega-promotoren, maar het werd me nu ook duidelijker hoe dat handelen tot stand komt en waarom het is zoals het is. Dat de relatie met een promovendus een bijzonder karakter heeft en ook zo zijn eigen problemen kent, wist ik natuurlijk wel uit ervaring, maar ik had er nooit erg over nagedacht. Dat de onderzoekschool een moeizame constructie is, merkt iedere directeur van zo'n instituut elke dag, maar wat er nu precies zo moeizaam is en waarom dat zo is, blijft meestal anekdotisch. In de alledaagse praktijk van het promotieonderzoek heb ik meer inzicht gekregen en van die praktijk ook meer kennis in wetenschappelijke zin. Dat is het sterke van dit proefschrift, het is reflectief zowel als reflexief. Hans Sonneveld heeft goed nagedacht over zijn ervaringen met promotores en promovendi, maar hij heeft ook een vorm van sociologie van de sociologie bedreven door onderzoek te doen naar de recente reorganisatie van de promotieonderzoekspraktijk in met name de sociale wetenschappen.

In zeer korte tijd zijn aan de Nederlandse universiteiten meer dan honderd onderzoekscholen ingericht, die thematisch of disciplinegewijs over faculteiten en universiteiten heen een groot deel van het wetenschappelijke onderzoek en het overgrote deel van de gekwalificeerde onderzoekers bundelen. De onderzoekscholen hebben een erkenning los van de universiteiten (de KNAW is de beoordelende instantie), maar financieel zijn ze afhankelijk van de universiteiten en van hun eigen mogelijkheden middelen te verwerven. De belangrijkste eigen taak van de onderzoekschool is de verzorging van de opleiding en de begeleiding van jonge promotieonderzoekers (AIO's), die tegen een bescheiden salaris in vier jaar tijd een promotieonderzoek en een proefschrift moeten zien af te ronden. Hoewel fysiek vrijwel onzichtbaar, zijn onderzoekscholen op papier grote organisaties, die vaak meer dan 100 onderzoekers en in ieder geval meer dan 40 AIO-plaatsen omvatten.

De onderzoekschoolontwikkeling is nog lang niet ten einde. Vaak wordt het gezien als de fase tussen de inmiddels een zachte dood gestorven Voorwaardelijke Financiering - de als 'beschermwaardig' beoordeelde, nog bijna geheel geïndividualiseerde onderzoekscapaciteit op faculteitsniveau - en de te verwachten aanwijzing van een beperkt aantal grote nationale 'top'-instituten of internationale onderzoekscholen. Zover is het nog niet, maar inmiddels gaat het behoorlijk snel. Als minister Ritzen deze week zijn wet op de modernisering van het universitaire bestuur (MUB) door de Tweede Kamer krijgt - en dat is nauwelijks nog een 'als' - kan het allemaal in de toekomst nog sneller gaan. Kan, want als uit het onderzoek van Hans Sonneveld iets blijkt, dan is het wel het grote vermogen van de universiteiten om de angels uit de vele plannen van de opeenvolgende ministers van Onderwijs en Wetenschap te trekken. Men 'assimileert' wat bij het eigen belang past, men gaat mee met de richting van het departement, maar blijft allergisch voor elementen van echte competitie en selectie. De corporatistische tradities en de daarmee verbonden idealen van lokale autonomie, harmonieuze concurrentie (individueel prestige) en aristocratisch egalitarisme worden nog onverkort, maar onbesproken en onbespreekbaar hoog gehouden.

Het onderzoek van Hans Sonneveld komt op een vroeg moment in de ontwikkeling van de onderzoekscholen en het zal zeker zijn invloed op de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende partijen hebben. Hij legt bloot hoe universiteiten met elkaar en met het departement omgaan, hoe universitaire bestuurders en hoogleraren ieder hun eigen agenda met betrekking tot de onderzoekscholen hebben, hoe hoogleraren promovendi beoordelen en hoe promovendi hoogleraren gebruiken. Nu de dynamiek van de verhoudingen en de relaties blootgelegd is, kan ook weer geleerd worden deze zoveel mogelijk in het eigen voordeel te manipuleren. Hans Sonneveld helpt de partijen elkaar door te hebben, al zullen ze daarvoor toch nog wel wat werk moeten doen, want de tekst geeft zijn geheimen niet gemakkelijk prijs. Veel uitweidingen zijn duidelijk alleen voor ingewijden in de sociologische theorie bedoeld.

Het aardigste en meest aansprekende deel van zijn studie vond ik toch het onderzoek naar de veranderingen in de relatie tussen promovendus en promotor. Zeker in Nederland gold het proefschrift vroeger als een 'levenswerk'. Er werd weinig gepromoveerd (alleen al tussen 1986 en 1994 steeg het aantal proefschriften per jaar van 1100 tot bijna 2500) en wie het deed, koos zelf een onderwerp en een promotor uit, en moest het in veel gevallen ook gewoon naast het werk doen. Alleen in de bèta-wetenschappen was dat wat anders en was een promotie ook gewoner. In de meeste andere gebieden waren vaak alleen de hoogleraar en de lector gepromoveerd, een tijd lang werd een promotie zelfs als ordinaire statuszoekerij beschouwd. Nu wordt zelfs voor de meest simpele universitaire aanstelling al een doctorstitel verlangd, proefschriften worden steeds meer in het Engels geschreven en zijn bij voorkeur gebaseerd op in internationale tijdschriften gepubliceerde onderzoeksartikelen.

Dit bèta-model is in nauwelijks tien jaar tijd de norm geworden en tegelijkertijd hebben deze relatieve verzwaringen van de eisen een zoals Sonneveld het noemt 'collectivisering' van het promotiestelsel niet in de weg gestaan. Integendeel zelfs, als AIO is de promovendus een universitaire functionaris geworden, die solliciteert naar het specifieke project dat de basis zal vormen voor zijn proefschrift. De hoogleraar die hem begeleidt, is meestal niet de enige die hem uitkiest en is ook niet zijn baas in de strikte zin van het woord. Tijdens het promotietraject wordt zowel AIO als hoogleraar beoordeeld en is de AIO verplicht bepaald onderwijs te volgen en te geven. De jonge doctor is tegenwoordig echt jong, hoog en vooral onderzoeksmatig gespecialiseerd en in het geheel niet verzekerd van een toekomst in de wetenschap.

En toch, iedere collega weet het, bestaat binnen dit systeem van collectivisering toch ook weer - niet eens zo veel anders dan vroeger - een sterke meester-gezelverhouding en ook een vorm van patronage. De hoogleraar wordt geacht in het wel en wee van zijn promovendus geïnteresseerd te zijn en hem ook te beschermen (bij beoordelingen), te steunen (bij het aanvragen van subsidies bijvoorbeeld) en ook weer verder maatschappelijk op weg te helpen. Belangeloos is dat niet, omdat de status van de hoogleraar ook weer afhankelijk is van het hebben van (succesvolle) promovendi en promoties bovendien een rol spelen in de versleuteling van de universitaire middelen over de faculteiten en vakgroepen. Promotor en promovendus staan beiden onder tijdsdruk: de AIO-aanstelling duurt vier jaar en financieel telt een promotie pas, als het proefschrift geaccepteerd en verdedigd is. Het is dus ook erg als een promotie mislukt en zowel onderzoekscholen als hoogleraren worden beoordeeld op het percentage mislukkingen.

Hans Sonneveld laat er geen twijfel over bestaan dat de collectivisering de positie van de hoogleraren als groep zeker niet verzwakt heeft. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat het in de hoogtijdagen van de bestuurshervorming zo onbelangrijk lijkende promotierecht het vehikel is geworden waarmee de hoogleraren hun positie binnen de universiteit weer belangrijk hebben weten te versterken. Het heeft hen ook weer meer tot een groep, tot een elite ook, weten te maken. De vooral voor buitenlanders opvallende ritualisering van de promotieceremonie lijkt als gevolg daarvan, zelfs bij een steeds maar stijgend aantal promoties, eerder meer dan minder te worden. Collectivisering laat ook meer ruimte voor rituelen dan individualisering en hier was gelukkig al een ritueel beschikbaar.