Minder geld, maar steeds meer te doen

Op de Opiniepagina van 28 augustus schetste J.M. Hermans het beeld dat het financieel uitstekend gaat met de universiteiten. Waarom klagen ze dan zo? Rien Meijerink, voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU), zou een hele pagina nodig hebben om alle fouten in Hermans' artikel op te sommen. Hij beperkt zich tot een reactie op hoofdlijnen.

Ik kan niet verhelen dat ik met de grootste moeite tot een reactie kom op het artikel van J.M. Hermans in NRC Handelsblad van vorige week woensdag. Bij het lezen van zoveel borrelpraat en aperte financiële onzin over de universiteiten zou de moed je in de schoenen zakken. Bovendien houdt een reactie met feiten en cijfers in dat deze wordt opgevat als een klaagzang. In elk geval door Hermans, want zo heeft hij recente publicaties van feiten en cijfers ook opgevat.

Wat mij het meest intrigeert is de vraag wat iemand beweegt om zo'n vals stuk over universiteiten te schrijven. Koestert Hermans een persoonlijke wrok tegen één of meer universiteiten? Dat zou kunnen, maar het is wel wat makkelijk om zo te denken. Er is blijkbaar ruimte voor dergelijke aantijgingen. Voor ons reden om de zaak recht te zetten.

De beweringen van Hermans komen op het volgende neer: de universiteiten worden in deze kabinetsperiode helemaal niet gekort, integendeel, ze krijgen er geld bij. In het verleden hebben ze bovendien zoveel gespaard dat ze er financieel goed voor staan. Dat er toch gekrompen wordt en zelfs ontslagen vallen ligt aan een ondoelmatige bestuursstructuur en onvolkomenheden in de interne bedrijfsvoering.

Nu de feiten.

De suggestie van Hermans dat niet wordt bezuinigd is volstrekte onzin. De afgelopen jaren is fors bezuinigd op universiteiten. De reële prijs per student die het ministerie aan univeriteiten betaalt, is in de periode 1981-1996 gedaald met circa veertig procent. De rijksuitgaven voor universiteiten uitgedrukt in procenten van het Bruto Nationaal Produkt zijn in de periode 1981-1995 gedaald van 1,10 procent naar 0,62 procent. Alleen al in de periode 1992-1996 is ruim 250 miljoen gulden bezuinigd op de universiteiten. Voor de rest van de kabinetsperiode en de jaren daarna zijn de volgende bezuinigingen opgelegd: in 1996 63 miljoen, in 1997 100 miljoen, in 1998 tot en met 2000 120 miljoen, in 2001 170 miljoen oplopend tot 320 miljoen in 2004. Noem dat maar niet bezuinigen!

Het is onjuist dat de verhoging van het collegegeld de universiteiten een 'aanzienlijk voordeel' opleverde; de verhoging van het collegegeld gaat gepaard met een verlaging van de rijksbijdrage. Het beleid van het ministerie om het aantal studenten te gaan verminderen, leidt juist tot een verlies van inkomsten uit de collegegelden, dat oploopt tot circa 110 miljoen in 2003.

Deze structurele kortingen worden natuurlijk bij lange na niet gecompenseerd door de vergoedingen uit het fonds Kwaliteit en Studeerbaarheid van gemiddeld 40 miljoen in de periode 1996-2000. Hermans' bewering - dat de budgetten juist zijn verhoogd - raakt kant noch wal. Misschien is hij wat verward geraakt door de decentralisatie van de wachtgelden en huisvesting.

De beschrijving van wat er voor en na het regeerakkoord en na de start van het kabinet gebeurde, doet voor mensen met een goed geheugen en enige kennis terzake nogal komisch aan. 't Is allemaal net verkeerd. Het belangrijkste is dat Hermans meent te weten dat de bezuinigingen van anderhalf miljard op het hoger onderwijs nu verdeeld werden over de gehele begroting van OC&W. En dat voor een groot deel van de rekening de studiefinanciering op zou draaien. Hij heeft echt niet goed opgelet! De bedoelingen van het regeerakkoord (structureel 500 miljoen korten op het hoger onderwijs en een miljard op studiefinanciering) zijn exact zo ingevuld.

Een belangrijk punt in de redenering van Hermans is de omvang van de liquide middelen. Eind 1995 beschikten de universiteiten over ongeveer 1,4 miljard gulden aan liquide middelen. Dat is niet het resultaat van overschotten, maar dat is nodig om het bedrijf te kunnen voeren en de gebouwen in de stand te houden. Weet Hermans wel dat de minister van OC&W met ingang van 1995 de universiteiten de verantwoordelijkheid voor de vervanging van gebouwen heeft gegeven? En dat zij dus nu zelf moeten betalen voor vervanging van hun gebouwen? De vervangingswaarde van de gebouwen bedraagt circa 12 miljard gulden. Omdat veel gebouwen aan vervanging toe zijn, moeten de universiteiten zelf sparen voor investeringen in vervangende huisvesting. Het is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt niet verantwoord om te lenen op de kapitaalmarkt. Universiteiten moeten dus sparen voor vervanging van hun huisvesting. Voorzover spaartegoeden tijdelijk kunnen worden belegd in deposito's en dergelijke leidt dit tot meer inkomsten van onderwijs en onderzoek.

Hermans' beschrijving van de bestuursstructuur en -cultuur is een misleidende simplificatie van de werkelijkheid. Juist met het doel om ontslagen te voorkomen worden faculteiten die te maken hebben met dalende studentenaantallen tijdelijk ondersteund. Als toch ontslagen nodig zijn, komen uitkeringen niet ten laste van de algemene middelen, maar draagt de universiteit deze zelf.

Hermans trekt een vergelijking met een Hemafiliaal. Als de sokkenafdeling niet goed presteert, zou de Hema maatregelen nemen en de sokkenverkoper wellicht naar de batterijenafdeling overplaatsen. Mij lijkt het echter eenvoudiger om een sokkenverkoper batterijen te laten verkopen, dan om een expert in de deeltjesfysica sociologie te laten doceren.

De conclusies die Hermans trekt, namelijk dat universiteiten over meer dan voldoende middelen beschikken en dat er geen sprake is van bezuinigingen van het ministerie van OC&W, staan dus haaks op de werkelijkheid. Zijn ultieme advies is: maak de afschrijving en de bedrijfsreserves maar op. Het zal je 'senior-financieel adviseur' maar zijn! En ik vermoed dat de Hema daar net zo over denkt.