Lichaam van seksdelinquent is niet heilig

Onze grondwet laat er geen misverstand over bestaan: artikel 11 bevat een algemeen erkend recht op de integriteit van het lichaam.

Deze grondwettelijke bepaling heeft deze week een belangrijke rol gespeeld in het debat over eventuele castratie van onbehandelbare en persisterende seksuele delinquenten. Inderdaad is de bescherming van de lichamelijke integriteit een wezenlijk kenmerk van de rechtstaat, een basaal moreel uitgangspunt, en dus zeker een principe om in morele en juridische debatten naar de verwijzen.

Toch is dit beroep op grondwettelijk bescherming van de lichamelijke integriteit geen definitief argument. Daarvoor zijn twee redenen. De eerste is dat ook algemeen aanvaarde juridische en morele uitgangspunten uitzonderingen kennen. Deze moeten volgens de grondwet op hun beurt door een wet worden geregeld, en daarvan zijn in Nederland voorbeelden te geven. Zo is visitatie van drugskoeriers mogelijk, heeft een Nederlandse rechter een verplichte HIV-test bij een verkrachter goedgekeurd, en is in de gezondheidszorg sprake van toelaatbare invasies in het lichaam zonder dat daarvoor toestemming is gegeven.

Een tweede reden voor een zekere relativering van zelfs een zwaarwegend principe als respect voor lichamelijke intergriteit is, dat uiteindelijk wet en moraal er zijn voor de mens, en niet andersom, zoals de evangelist Marcus al schreef. Dat wil zeggen: als het rechtsgevoel verandert kan, ja mòet, de wet daarin uiteindelijk volgen, al was het maar doordat we er nuanceringen in aanbrengen. Het is dus vreemd, ja zelfs onverdedigbaar om met de wet aan te komen als definitief argument tegen zo'n chemische castratie. Dat wil overigens niet zeggen dat het argument geen rol mag spelen, want ook los van de wet is het een groot goed in een rechtstaat dat allen bescherming genieten van hun lichamelijk integriteit.

Dat is nu juist ook de kern van het probleem: als allen recht hebben op die bescherming, dan geldt dat ook voor de (potentiële) slachtoffers van seksuele delinquenten. Er is sprake van een wezenlijke morele afweging: belangen van ernstige seksuele delinquenten (het gaat niet om een kneep in borst of bil!) liggen in de weegschaal met belangen van degene wiens lichamelijke integriteit zij bedreigen. Het feit dat wij de dader al kennen en in de ogen kunnen zien, maar zijn mogelijke toekomstige slachtoffers niet, mag ons niet afleiden van datgene waarom het hier gaat: dat een rechtstaat niet uit mededogen met misdadigers de bescherming van zijn burgers mag opgeven. Het blijft voortdurend balanceren. Nederland is te prijzen voor zijn humane opstelling tegenover delinquenten, maar er zijn grenzen. Men heeft hier weleens de neiging te soft te worden. Ook relatief geringe kansen op nieuwe gewelddaden, al of niet seksueel, behoren aanleiding te zijn tot een streng beleid. Het is niet te verdedigen om de samenleving voorwerp te maken van experimenten door officieren van justitie, rechters en psychiaters met recidive-neigingen van gewetenloze criminelen.

Er is steeds meer bekend over de (zieke) menselijke geest. Als die kennis leidt tot het inzicht dat bij een pleger van geweldsdelicten de kans op recidive reëel is, behoren daaraan consequenties te worden verbonden. Zou men chemische castratie van ernstige seksuele delinquenten onder omstandigheden aanvaarden, dan heeft dat overigens een belangrijke consequentie. Immers: ook het behandelen met psychofarmaca van recidiverende andere geweldplegers komt dan in zicht. Zonder twijfel speelt dit nu al, misschien ook wel in situaties van dwang. De vraag is of daar nu zoveel tegen is. Is het niet humaner om iemand pillen te geven, en zich vrij in de samenleving te laten begeven, dan die persoon voor vele, vele jaren achter slot en grendel te houden, zoals bij tbs? Het zou weleens kunnen zijn dat het belang van de samenleving en dat van de delinquent nog enigszins samenvallen. In elk geval is er geen argument om het belang van de crimineel zwaarder te laten wegen dan dat van de samenleving. Integendeel: er zij goede argumenten om potentiële slachtoffers te beschermen.

Een andere vraag is of de chemische castratie het gewenste effect zou opleveren, namelijk een verminderd libido en een verminderde neiging tot agressief gedrag. Is dat niet het geval, dan hebben we pas echt een probleem. Want bescherming van de samenleving blijft nodig, en die bescherming zou in dat geval weleens tot veel draconischer maatregelen moeten leiden, zoals ononderbroken totale opsluiting voor het leven van onverbeterlijke seksuele delinquenten. Misschien moeten we maar hopen dat psychofarmaca effectief zijn.