Jonge Turken effenen pad voor marktwerking

Regels en wetten halen de dynamiek uit de samenleving, vindt secretaris-generaal Geelhoed van Economische Zaken. Hij onderkent een “maatschappelijk gevoel van urgentie” om door minder wetgeving marktwerking te stimuleren.

DEN HAAG, 7 SEPT. De verruiming van de winkeltijden was het eerste succes van de operatie 'Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit', kortweg MDW. In december 1994 leverde de Winkeltijdenwerkgroep haar rapport af, anderhalf jaar later waren de winkeltijden verruimd. Met dezelfde voortvarendheid ging een werkgroep met het monopolie van advocaten aan de slag. Weer anderen keken naar de vereenvoudiging van de arbeidsomstandighedenwet, verlichting van het Rijtijdenbesluit en het wegnemen van concurrentiebeperkingen in het taxibedrijf.

“Een hondenhok vol jonge Turken”, zo noemt L.A. Geelhoed, secretaris-generaal van Economische Zaken, de afdeling die zich met MDW-projecten bezighoudt. Hij heeft geen moeite er mensen voor te vinden: “Het is leuk, overzichtelijk en je kunt ermee scoren.” Stimulering van marktwerking is namelijk speerpunt van het kabinetsbeleid.

Bij de bevordering van marktwerking en vrije concurrentie blijkt de overheid vooralsnog de grootste drempel. Een overvloed aan wet- en regelgeving heeft de dynamiek en flexibiliteit uit de economie gehaald. Bovendien passen al die regels niet bij de paarse gedachte dat elke Nederlander ook zonder de hulp van de overheid zijn weg in de samenleving moet kunnen vinden.

Het streven naar minder en betere regels en wetten, ofwel deregulering, is verre van nieuw. Het eerste kabinet-Lubbers had zich er ook al toe gezet. In Nederland komt er dan een commissie en in 1984 was dat de commissie-Geelhoed. Die maakte de fout de hele wetgeving op de schop te willen nemen.

“Toen waren we zes à zeven jaar te vroeg”, zegt Geelhoed, destijds verbonden aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Volgens hem ontbrak het in die jaren aan een “maatschappelijk gevoel van urgentie” om het dichtbegroeide 'regelbos' aan te vallen. Dat bos is sindsdien alleen maar dichter geworden terwijl de behoefte aan economische dynamiek toenam.

Strandden de eerste pogingen tot deregulering nog op te hoge ambities, gestuurd door het kabinet-Kok pakt de jurist Geelhoed de zaken behoedzamer aan. Met overzichtelijke en kortlopende projecten, die zich concentreren op beroepsgroepen of kleine bedrijfstakken, wordt op de diverse ministeries gezocht naar drempels voor marktwerking. Bekeken wordt of en hoe deze door simpeler regels kunnen worden geslecht.

'Niet te groot en niet te klein', is het credo voor de MDW-projecten. Zo is studie naar marktwerking in de gehele openbaar-vervoerssector niet aan de orde, maar beperken de 'jonge Turken' zich tot tot een onderdeel, taxi's bijvoorbeeld. Evenmin wordt de totale gezondheidszorg aan de marktwerking overgeleverd, maar bekijkt men wat er gebeurt als de regelgeving voor beroepsgroepen als tandartsen en fysiotherapeuten versoepeld wordt.

“Maar”, waarschuwt Geelhoed, “meer marktwerking is nooit doel op zichzelf.” Het moet wel leiden tot meer werkgelegenheid en welvaart. Dat is dan ook het belangrijkste criterium waarop de selectie van projecten gebeurt. Ook moet vaststaan dat minder regels stevige economische prikkels opleveren en of de projectleiding binnen een jaar een onderzoeksrapport af kan scheiden. Elk jaar worden nieuwe projecten bedacht. Na drie jaar zijn het er eenentwintig.

“Al doende leert men”, schetst Geelhoed zijn MDW-ervaringen. “Je begint op de tast met het uitvinden van het wiel. Als je een redelijk rond wiel hebt, kun je dat uit de schuur halen wanneer je andere fietsen moet bouwen.” Zo kan ervaring met een overzichtelijk project als taxivergunningen worden toegepast op een grote klus als de Energiewet. Een taxichauffeur zonder vergunning kijkt immers tegen net zo'n drempel aan als een energieproducent zonder distributienet.

Door consequent nieuwe ervaring in volgende projecten toe te passen groeit de kennis over dereguleringsoperaties. Dat dit proces het einde kan inluiden van de overlegeconomie en de overheid tot verregaande terugtreding zou dwingen, is volgens Geelhoed een levensgroot misverstand. “Onherroepelijk” ligt aan de MDW-operatie een fundamentele visie ten grondslag over de positie die Nederland moet innemen tussen centraal geleide planeconomie en de volledig vrije markteconomie. Een verschuiving richting vrije markt is, zegt de topambtenaar, “zonder meer waar te nemen”.

In de klassieke overlegeconomie lopen overheid en markt niet alleen door elkaar, maar ze lopen elkaar ook voor de voeten. Geelhoed staat een nieuw overlegmodel voor ogen waarbij beide partijen hun afgebakende rol kennen. Wanneer de overheid meer aan de markt overlaat, moet de staat het gedrag op die markt scherper toetsen.

Het slagen van een operatie als Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit vergt dan ook modernisering van de overlegeconomie, meent Geelhoed. “De overlegeconomie moet overheidstaken naar de markt brengen om die markt vervolgens krachtig te bewaken.” Sociale partners en overheid moeten in organisaties als de SER discussiëren over de inrichting van de markt, niet over de bijstelling van het gedrag daarop. Na dat overleg moet de overheid de taken die zij voorheen had durven loslaten. “De overheid moet zich meer bezighouden met de strategische inrichting van de economische orde en minder met lopende zaken.”

    • Robert Giebels