'Italiaanse pers is vazal van televisie'

ROME, 7 SEPT. Tijdens de lange jaren in de oppositie heeft Italiaans links de geschreven pers altijd beschouwd als een bondgenoot, maar nu links zelf aan de macht is, groeit de kritiek. Met name Massimo D'Alema, als leider van de Democratische Partij van Links de macht achter de troon van premier Romano Prodi, schiet regelmatig uit zijn slof.

Zijn bijtende uithalen naar de Italiaanse kwaliteitsbladen liegen er niet om. 'Oppervlakkig'. 'Sensatiebewust'. 'Tendentieus'. 'Rellerig'.

De schrijver Umberto Eco, die een soort goeroe is voor links, heeft het een paar maanden aangekeken en komt nu met de oplossing. Kranten en televisie moeten uit elkaar worden getrokken als nieuwsbronnen. Provocerend heeft hij een nieuwe mediawet voorgesteld met als belangrijkste stelregel: de ochtendkranten mogen geen nieuws melden dat al in het journaal van de avond tevoren zat.

Het lijkt op een soort censuur, maar uiteindelijk bevordert het de persvrijheid, stelt Eco in een column in het weekblad l'Espresso. Kranten zijn vaak de slaaf van de journaals. Tv is nu eenmaal een vergrootglas, en

De kracht van de tv imponeert kranten en zet hen aan tot imitatie, maar daarmee dreigen ze hun eigen kwaliteiten te vergooien. Eco nodigt in feite de schrijvende pers uit wat meer lef te hebben en zich te concentreren op zaken waarin een krant sterk is: achtergrond, analyse, het nieuws dat te klein of niet beeldend genoeg is voor tv.

Italiaanse kranten blazen het nieuws van de avond tevoren op “in een pathetische poging” om het fris te doen lijken, aldus Eco. De kolommen die worden gevuld met de aankleding van oud nieuws kunnen beter worden gebruikt voor verdieping. “Dat het bruto nationaal produkt daalt, heeft de tv een paar dagen geleden gezegd, maar van de geschreven pers verwacht de lezers dat die deze tendens zeker een maand daarvoor begint te onderscheiden”, schrijft Eco. Zo kan ook worden voorkomen dat het nieuws gaat rondzingen over de verschillende media.

Dat kranten zich laten hypnotiseren door de tv, blijkt ook uit de pagina's vol nieuwtjes, roddels en achterklap die worden besteed aan de showwereld. Eco geeft ronduit toe dat ook hij dat wel vermakelijk vindt 's ochtends bij zijn kopje koffie, maar wordt dan streng voor zichzelf en schrijft dat het net zo is als de plaatselijke gek wat te drinken geven in het café, in de hoop dat hij grappig wordt.

Geïritteerd repliceert de voorzitter van de Orde van Journalisten, Mario Petrani: “We leven nu eenmaal in de wereld van de show en daarom moet een krant daarvoor belangstelling opbrengen.” Bovendien blijken de oplages daardoor te stijgen.

Een pervers argument, antwoordt Eco. Als Italiaanse pedofielen niet meer naar Azië of Zuid-Amerika hoeven te gaan maar terecht kunnen op hun eigen sportschool, gaat het ook ineens een stuk beter met die sportscholen. “De massamedia zijn niet verplicht de tendenzen van het publiek te volgen, ze kunnen daar ook richting aan geven”, schrijft hij.

Eco's column heeft veel losgemaakt. Volgens Paolo Guzzanti, één van de sterren van de dagbladjournalistiek, zijn tv en kranten niet los te zien van elkaar en vormen zij “een siamees monster”. De kranten volgen de journaals omdat het politieke debat vaak meer via tv dan in het parlement wordt gevoerd.

Maar Piero Ottone, een grand old man van de pers, is het met Eco eens. “De geschreven pers is de vazal geworden van de televisie”, schrijft hij in zijn net uitgekomen boek over een halve eeuw journalistiek. Het beste voorbeeld daarvoor is de curieuze gewoonte om bij nieuwsberichten een foto te plaatsen uit een tv-serie of film over een vergelijkbare zaak. “De werkelijkheid, de journalististieke kroniek, wordt mistig en verdwijnt in de fictie”, schrijft Ottone. “De echte wereld wordt nagesynchroniseerd door de wereld van de show.”

Eco heeft nog een recept: alleen maar schriftelijke interviews. Dat zou een einde maken aan de irriterende cyclus van interviews en ontkenning, die wordt gevoed door de 'creatieve' omgang van Italianen met aanhalingstekens. “Op deze manier zal een interview echt een objectief en onvervangbaar element zijn.”

En als de betrokkene wartaal uitslaat of te lang van stof is? Dan maar geen interview, zegt Eco. Wie zijn gedachten niet kan uitdrukken, heeft ze niet. Op de tegenwerping van de mediajournalist van La Repubblica, Nello Ajello, dat de journalist “de plechtige en vreselijke taak heeft uitspraken plausibel te maken die het vaak niet zijn”, antwoordt Eco dat het daardoor eigenlijk een interview met de journalist wordt.

Op deze manier moeten kranten weer een hoger soortelijk gewicht krijgen. Eco wil zijn kranten bewaren en er niet de kattebak mee vullen. “Wij zouden een krant willen die ook de wetenschappers (en niet alleen die van zeden en gewoontes) zouden willen bewaren, want als de krant meldt dat Caesar heeft gezegd alea iacta est (de teerling is geworpen), zal dat de enige betrouwbare bron zijn om morgen de geschiedenisboeken te schrijven.”

Eén ding is Eco gelukt met zijn column: laten zien dat kranten en tv verschillend nieuws kunnen hebben. Op de journaals was de afgelopen week niets terug te vinden van deze discussie. Eco heeft een hekel aan de interviews van een halve minuut. En als er geen plaatje is, is er geen nieuws.

Maar hij twijfelt er zelf aan of dit een bijdrage is geweest aan een serieuzere pers. Het aan de kaak stellen van de problemen van de pers is een journalistieke genre geworden met een hoge amusementswaarde, constateert Eco. In een weerwoord op de vele commentaren schrijft hij het vermoeden te hebben “dat deze kritiek (met inbegrip van die van mij) op de pagina wordt gezet omdat ze uiteindelijk zullen worden opgenomen in het algehele geklets, en de mensen zijn eraan gewend dat te lezen en te vergeten.”

    • Marc Leijendekker