Het opheffen van de nacht; Ook het dierenleven wordt kunstmatig bijgelicht

De Veluwe heet een van de donkerste natuurlijke plekken van Nederland te zijn. Toch is hier het kunstlicht van de beschaving zelden ver weg.

Er schijnt steeds vaker en langer licht in de Nederlandse duisternis. Van slordig gerichte spots die bedoeld zijn voor reclameborden en toeristische bezienswaardigheden, maar tegelijkertijd de hemel oplichten, tot de lasers van uitgaanscentra, die als wentelende zoeklichten de lucht doorklieven. De duisternis als natuurverschijnsel is op veel plaatsen een stille dood gestorven. Lichtvervuiling is allang geen kwestie meer waar alleen astronomen, al dan niet lid van de International Dark Sky Association, zich druk om maken. Ook door de natuurbescherming valt wat te zeggen voor het behoud van duisternis, zo menen de Vereniging Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer.

Grote boosdoeners zijn de verstedelijking, mainport Schiphol en de verlichte kassen. Ook de opmars van de 24-uurs economie eist zijn tol. Nederland wordt steeds actiever, dag en nacht. En dan is er het verkeer. Het stilzwijgende uitgangspunt dat verlichting buiten de bebouwde kom zich beperkt tot verkeersknooppunten is al lang geleden losgelaten. Een kwart van het hoofdwegennet, waaronder éénvijfde van de autosnelwegen, is voorzien van verlichting, en aan uitbreiding wordt gewerkt.

Vereniging Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer verzetten zich in samenwerking met organisaties als Natuur en Milieu al geruime tijd tegen een rigoureuze aanleg van snelwegverlichting op de Veluwe en elders. Het gaat daarbij naast de bedreiging van de duisternis op zich, ook om energiekosten, de aantasting van het landschap (de 'vermasting' van Nederland) en de effecten op flora en fauna. De duisternis-beschermers wijzen er in bevlogen spreekbeurten en publicaties op, dat verlichting wellicht uitnodigt tot harder rijden en dus leidt tot meer vervuiling en een hoger energieverbruik - nog los van de energiekosten van de verlichting zelf.

Ieder nieuw project voor wegverlichting betekent bovendien extra versnippering van natuurlijke gebieden. Verlichte wegen vormen een grotere barrière voor ondernemende dieren. Hun migratiemogelijkheden worden erdoor ondergraven. Nieuwe snelwegverlichting lijkt wat tegenstrijdig waar tegelijkertijd zwaar wordt geïnvesteerd in 'ontsnippering' van het landschap, bijvoorbeeld door de aanleg van dassentunnels en ecoducten.

Harde gegevens over de invloed van kunstlicht op het dierenleven zijn er nog nauwelijks. Ook over de gevolgen van het vrijwel wegvallen van de maancyclus in kunstmatig bijgelicht gebied is niet veel bekend. Sommige Nederlandse nacht- en schemerdieren zijn dat betrekkelijk recent geworden, omdat het ze overdag te druk werd. Daarnaast zijn er de echte nachtdieren, gespecialiseerd in het in duisternis of bij maanlicht vinden van voedsel en verschalken van prooien. In hoeverre deze dieren overlast van bijlichting ondervinden, blijft giswerk, maar 'onnatuurlijk' is die bijverlichting wel. Dat uilen bij veel verlichting vaker verkeersslachtoffer worden, is voorlopig niet meer dan een indruk die bij natuurbeschermers leeft. Zweeds onderzoek levert een gemengd, maar overwegend negatief beeld op van de effecten van overbelichting. Veel voorkomende vleermuissoorten blijken het in kunstmatig verlichte natuurgebieden goed doen, maar juist de toch al zeldzame soorten vallen er verder terug.

LICHTMASTEN

De ecologische effecten van wegverlichting hebben tot nu toe weinig aandacht gekregen. In een open brief aan Rijkswaterstaat van vorig jaar staken de natuur- en milieu-organisaties wat dat betreft ook de hand in eigen boezem. In die brief pleitten ze ervoor terughoudender om te springen met wegverlichting. Landschappelijke en ecologische effecten zouden voortaan meegewogen moeten worden bij het opstellen van verlichtingsplannen, vonden zij. En het effect van verlichting op de verkeersveiligheid zou beter bekeken moeten worden. De voordelen van betere wegverlichting kunnen, zoals geldt voor alle veiligheidsmaatregelen, weleens worden ondergraven doordat mensen hun rijgedrag gaan aanpassen.

Rijkswaterstaat stelt zich in principe welwillend op, maar blijft op het belang van de verkeersveiligheid hameren, overigens zonder dat de reddende rol van verlichting hierbij helder is. Een onderzoek uit 1993 door de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid naar tweeduizend kilometer autosnelweg, waarvan éénvijfde verlicht, bood geen onomwonden uitsluitsel. De voorzichtige vaststelling dat de meeste waarnemingen wijzen op een positief effect van openbare verlichting, werd voorzien van de kanttekening dat dit kwantitatief nog niet hard te maken was. Zowel op verlichte als onverlichte wegvakken bleken de Nederlandse snelwegen 's nachts onveiliger dan overdag. Verlichte wegvakken zijn overigens overdag onveiliger, bij dezelfde intensiteit van gebruik. Een onrustig beeld door voorbijschietende lichtmasten hoeft daar niets mee te maken te hebben; de onderzoekers opperden dat juist onveilige wegvakken eerder in het licht werden gezet.

Ing. G. Kuipers van Staatsbosbeheer, Regio Veluwe Achterhoek, en ir. J. Gorter van de Vereniging Natuurmonumenten, notoire strijders voor de duisternis, benadrukten op een eerder dit jaar in de RAI in Amsterdam gehouden symposium 'Licht op de openbare weg' niet terug te willen naar de oertijd. Wel wezen ze op de vele gevallen van verkwisting, zoals de eenzame auto die 's nachts in een zee van licht rijdt. Technische oplossingen zouden soelaas kunnen bieden. Bijvoorbeeld door het langzaam dimmen van wegverlichting bij afnemende verkeersintensiteit. Of door het gebruik van 'slimme' verlichting, die in werking treedt bij nadering van weggebruikers. Ook zou na een bepaald tijdstip de verlichting op bedrijfsterreinen en voor reclamedoeleinden uitgeschakeld kunnen worden. En een nieuwe generatie masten zou het verschijnsel strooilicht kunnen tegengaan: door het licht lager te projecteren of in een sterker gebundelde, beter afgeschermde lichtbaan. Maar ook alleen al de vervanging van hoge-druknatriumlampen door lage-druknatriumlampen zou de strooilichtvervuiling flink kunnen beperken.

VERVREEMDING

Nog effectiever in dit opzicht is natuurlijk: niet verlichten. Natuurgroepen leggen de nadruk op de hoge kosten die zijn verbonden aan snelwegverlichting. Voor tien kilometer snelweg bedragen de aanlegkosten een miljoen gulden, terwijl het energieverbruik per jaar een twintigduizend gulden is. Niet verlichten is goedkoper. Aangepast verlichten wellicht ook, maar dat gaat gepaard met flinke vervangingskosten. Kuipers meent dat deze geen blokkade hoeven te vormen. Op het genoemde symposium merkte hij op: “Ik verwacht dat de Nederlandse belastingbetaler het een goede zaak vindt dat de noodzakelijke meerkosten voor een zorgvuldiger verlichtingsbeleid worden gemaakt. Nederland wordt steeds voller, steeds hyperactiever. Opheffing van de nacht door verlichting draagt bij aan de vervreemding. De tegenkracht wordt ook steeds sterker: natuurwaarden, waaronder een oerkwaliteit als de duisternis, worden schaarser en daardoor waardevoller, ook letterlijk.”

Overleg met professionele verlichters is gaande; zij lijken open te staan voor bescherming van de duisternis. De landelijke politiek - die onlangs besloot tot het niet langer opschorten van verlichtingsplannen voor de A12, de A9 en de A50, de laatste over de Veluwe - hecht echter nog sterk aan wegverlichting. Niettemin houdt de kwestie ook Rijkswaterstaat bezig: een publicatie over 'lichtverstorings-gevoelige bieden' is op komst. Wie weet krijgen we er naast het bord 'Stiltegebied' een bord bij: 'Donkergebied.' Reflecterend.