Het milieu als politieke tijdbom

John Vogler en Mark F. Imber [red.]: The environment and international relations. Routledge 1995, 236 blz., prijs ƒ 44,05. ISBN 0 415 12215 5.

IN FEBRUARI 1994 publiceerde de Amerikaanse journalist Robert Kaplan een alarmerend artikel in Atlantic Monthly: 'De naderende anarchie'. Kaplan schetste een scenario van een werelddeel, Afrika, dat volkomen op drift was geraakt. Ontbossing, erosie, armoede, migratie, stedelijke overbevolking, misdaad, instabiliteit, dictatuur, oorlogen (in die volgorde): de essentie van Kaplans boodschap was dat de uitputting van het milieu tot ernstige politieke conflicten zou leiden, zowel binnen als tussen staten, nu in Afrika, later elders. “Het is tijd in te zien wat de 'natuur' werkelijk is”, aldus Kaplan, “het veiligheidsvraagstuk van de vroege 21ste eeuw.”

Kaplans artikel gaf grotere bekendheid aan wat in de leer der internationale betrekkingen reeds langer bekend stond als environmental security (milieuveiligheid). De pleitbezorgers van milieuveiligheid staan een aanpassing, een 'verbreding' voor van het gangbare, voornamelijk op militaire criteria gebaseerde, idee van nationale veiligheid. Met name de invloed van het milieu (lees: de verandering, de verarming, de vernietiging van de natuurlijke leefomgeving) op de politieke stabiliteit en internationale relaties wordt benadrukt. Aan de bescheiden plaats die de milieuveiligheid zich vanaf het begin van de jaren tachtig in de studie der internationale betrekkingen heeft verworven, liggen twee factoren ten grondslag: de groeiende belangstelling voor milieuvraagstukken als zodanig en de veranderde aard van de internationale veiligheid. In The environment and international relations is een aantal recente bijdragen aan de discussie over milieuveiligheid gebundeld.

De belangrijkste gedachte achter milieuveiligheid is de relatie tussen uitputting van het milieu, sociale en economische problemen en politieke instabiliteit. Er is sprake van een vicieuze cirkel: een combinatie van snelle bevolkingsgroei en groeiende consumptie zal het milieu steeds verder aantasten, waardoor het niet in staat zal zijn de gevolgen van bevolkingsgroei en consumptie op te vangen. Sociale, economische en politieke ontwrichting, al dan niet in de vorm van 'etnisch' geweld, zullen het resultaat zijn.

Niet alle staten zijn in gelijke mate vatbaar voor de politieke bedreigingen die van de aantasting van het milieu uitgaan. De stand van de economie is een belangrijke variabele en dat geldt ook voor de samenstelling van de bevolking. In het bijzonder ontwikkelingslanden, voornamelijk afhankelijk van de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en niet in staat om de gevolgen van de uitputting van het milieu op te vangen, zijn kwetsbaar. Bovendien zullen de sociale en economische gevolgen van een vèrgaande aantasting van het milieu eerder een veiligheidsrisico zijn in landen waar armoede en uitzichtloosheid kunnen worden vertaald in etnische of religieuze tegenstellingen dan waar dit niet het geval is.

De aanduiding 'ontwikkelingslanden' dient hier trouwens ruim te worden opgevat. Oostelijk Europa, en de voormalige Sovjet-Unie in het bijzonder, kampt bij uitstek met de problemen die onder de noemer milieuveiligheid vallen. De gevolgen van ernstige schade aan het milieu heeft zowel geleid tot conflicten tussen voormalige Sovjet-republieken (bijvoorbeeld over de verdeling van het schaarse water in Centraal-Azië), tot spanningen binnen deze staten (binnen Rusland met de Islamitische republiek Dagestan over de Kaspische Zee) als tot de directe bedreiging van hele bevolkingsgroepen (zoals de Karakalpaken ten gevolge van de uitdroging van het Aralmeer) ten gevolge van gedwongen migratie en assimilatie.

DELFSTOFFEN

De idee van environmental security is niet onomstreden, en, zo zou daar aan kunnen worden toegevoegd, de bijdragen aan The environment and international security maken duidelijk waarom dit het geval is. Hoewel in de literatuur over milieuveiligheid over het algemeen geen simpele, causale relatie wordt gesuggereerd tussen milieu en veiligheid, levert de vermeende samenhang toch een aantal voor de hand liggende vragen op. Ten eerste zijn er bezwaren van methodologische en terminologische aard. Hoe moeten 'milieu' en 'veiligheid' worden gedefinieerd? Indien milieu wordt omschreven als de 'natuurlijke omgeving' van de mens, inclusief grond- en delfstoffen, is er dan eigenlijk iets nieuws onder de zon?

Door de eeuwen heen zijn conflicten uitgebroken en oorlogen uitgevochten om het bezit van grond en natuurlijke hulpbronnen. En als het milieu in de benadering van milieuveiligheid wordt beperkt tot milieuverontreiniging, is het dan als factor in de relaties tussen staten niet van ondergeschikt belang? Nogmaals de voormalige Sovjet-Unie: ongetwijfeld zijn de economische en politieke consequenties van milieuveranderingen van betekenis voor de relaties tussen de voormalige Sovjet-republieken, maar andere factoren (machtsaspiraties van Rusland, nationalisme, economische crisis) zijn ten minste zo belangrijk, wellicht zelfs belangrijker?

Een tweede bezwaar dat tegen veel onderzoek naar milieuveiligheid kan worden ingebracht, is de voortdurende, bijna exclusieve aandacht voor het mondiale karakter van de politieke gevaren die uitgaan van de aantasting van het milieu. Global environmental change is het centrale begrip, aantasting van de ozonlaag, broeikaseffect en klimaatsverandering zijn de belangrijkste uitdagingen in de discussies over milieuveiligheid. Ten onrechte. Mocht de aantasting van de ozonlaag zover voortschrijden dat alle inwoners van Australië blind dreigen te worden, dan is de nationale veiligheid van het land ongetwijfeld in het geding.

Zover zal het waarschijnlijk niet komen. Als ingrijpende en ongewenste veranderingen van de leefomgeving invloed hebben op de politieke stabiliteit in landen, dan lijken zowel de veranderingen van het milieu als de politieke gevolgen in kwestie vooral van regionale of, desnoods, nationale omvang. Milieuveiligheid is niet in eerste instantie een probleem in de relaties tussen staten maar een probleem binnen staten, tussen bevolkingsgroepen. Kort en goed: de ernstige maatschappelijke problemen die door ecologische veranderingen worden veroorzaakt hebben meer invloed op de stabiliteit en legitimiteit van de politieke orde in afzonderlijke landen dan op de relaties tussen landen.

Ideologisch gehalte

Een derde bezwaar dat tegen milieuveiligheid kan worden ingebracht is de 'instrumentele', de 'politieke' wijze waarop met deze idee wordt omgesprongen. Onderzoek naar de relatie tussen milieu en veiligheid staat vrijwel nooit op zichzelf. Op de een of de andere wijze dient het altijd uit te monden in politieke suggesties voor de aanpak van de problemen, in de presentatie van praktische oplossingen, in de concrete aanpak van de geschetste problemen. Milieuveiligheid moet altijd problem-solving zijn. Sommigen lijken environmental security vooral te zien als een mogelijkheid om met behulp van een nieuwe definitie van veiligheid een discussie over de aard van de internationale betrekkingen te stimuleren, terwijl anderen het vooral beschouwen als een methode om schaarse extra onderzoekskredieten los te krijgen.

Ook de bundel The environment and international relations lijdt onder de tekortkomingen die hierboven zijn geschetst. De betekenis van het milieu voor de aard van de internationale relaties wordt niet geproblematiseerd maar als vanzelfsprekend beschouwd. Sommige bijdragen hebben bovendien een hoog 'ideologisch' gehalte, en zijn, niet uitzonderlijk voor producten van de wetenschap der internationale betrekkingen, in een vrijwel onleesbare stijl geschreven. Op onaardige wijze geformuleerd: de bijdragen aan de The environment and international relations zijn over het geheel genomen minder belangrijk dan de kwestie die erin aan de orde wordt gesteld.