Grasmus op zee

Hé een vogeltje. Waar kwam die nou vandaan? Fladderend onder de reddingsboten die langszij hingen van het reusachtige passagiersschip zocht het wanhopig naar een tak tussen al het wit geschilderde ijzer. De Fedra voer de nachtdonkere baai uit, vrij en opgelucht na het moeizame manoeuvreren om van het land los te komen. Het grootste deel van de lading was geloosd op de kade. De dekken waren nu vrijwel leeg. Nog een goed uur varen en we zouden aankomen op ons eiland.

Het lawaai van de wal was verstorven. Superieur heerste weer de sterrenhemel, die hier in geen maand zo helder en hoog is als in augustus.

Was het vogeltje verdwenen? Nee, daar zat het, op een stang tussen twee reddingsboten balancerend, de veertjes recht omhoog geblazen door de zeebries. Zou die van het schiereiland afgewaaid zijn waar we zojuist bijna langs schampten? De overige familieleden keerden terug van het achterdek, rennend en lawaaiend. Verenbolletje buitelde van schrik van zijn zitplaats en schoot weg onder een stoel naast een kist met zwemvesten. We besloten tot een reddingsoperatie. Niemand anders zou zich toch om hem bekommeren als wij straks van boord waren? Dood door honger of een moordenaarshand zou zeker zijn lot zijn. De kinderen gingen op zoek 'naar iets om hem in te doen' en kwamen terug met een doos waar honderd zakken chips in hadden gezeten. “Nee jongens, 't moet echt veel kleiner.” Wij groten hielden intussen de wacht bij onze, ja wat was het eigenlijk? Hoe heette dit ranke zachtbruine vogeltje? Daar kwam het ideale doosje aangerend, limonadekartonnetje uit een vuilnisvat.

De scherpe citroenlucht bedwelmde ons plaatsvervangend. Na nauwgezette reiniging en het prikken van luchtgaatjes hadden we de gewenste vogelverpakking. In gesloten front werd de weggekropen dwaalgast omsingeld. Maar zo overdreven was niet nodig, gedwee liet hij zich pakken. Hoe bijna lichter dan lucht woog het uitgeputte lijfje met het bonkende hartje. Kijk zijn buitenste staartpennen waren wit en hij had een spits snaveltje. Geen geluidje gaf hij toen hij door het verwijde 'hier openen'-tuitje in het doosje werd gewurmd, als enig protest wat moedeloos vleugelgeritsel. In plechtige processie droegen de kinderen hun beschermeling over de laadklep aan land. In de auto bij het karig schijnsel van het binnenlichtje bladerden we koortsachtig door Vogels Onderweg, de enige beschikbare bron die onze vogel zijn naam kon geven. We besloten tot de vrouwtjes-grasmus en alle ornithologen van de wereld hadden ons die naam niet kunnen ontnemen. Ons behaaglijk schurkend in goedertierenheid reden we over het slapende eiland naar onze overnachtingsplek.

Dat Grasmus halverwege nog met doos en al van de slaapdronken kinderknietjes viel was slechts een kleine smet op het totale reddingsproces. Gelukkig, ze ritselde nog. Bij een eeuwenoude olijf, hoog boven ons reikend lieten we haar in de holte van een dikke tak glijden. Een vage schim fladderde hogerop de boom in. We zeulden onze bagage de hoteltrap op, om onze hoofden zachtgloeiend het aureool van Hoeders van de Aarde. Alleen, als ze morgen nou maar niet ging proberen terug te vliegen naar haar vaderland. Grasmus vrouwtje