'Fotojournalistiek heeft de toekomst'

Deze week is in het Zuidfranse Perpignan voor de achtste keer de fotomanifestatie Visa pour L'image begonnen.

PERPIGNAN, 7 SEPT. Jean Francois Leroy windt er geen doekjes om. De manifestatie Visa pour L'image in Perpignan die hij initieerde en nu opnieuw organiseert, is 'het laatste bastion van de fotojournalistiek'. Maar wie daaruit meent af te moeten leiden dat hij een achterhoedegevecht voert, vergist zich. Want Leroy gelooft allerminst in de bekende onheilsprofetie dat de fotojournalistiek het uiteindelijk zou afleggen tegen de televisie. Integendeel zelfs, schrijft hij in zijn inleiding bij het programma-overzicht: de fotojournalistiek heeft de toekomst.

De televisie maakt namelijk het nieuws gaandeweg meer tot entertainment, en dus is het aan de fotojournalist om zijn oude rol van informatieverstrekker weer op te pakken. Een uitdagende visie, zeker tegen de achtergrond van de huidige discussies over de betrouwbaarheid van het medium nu de digitale manipuleer-mogelijkheden spectaculair zijn toegenomen.

Toch kan ook Leroy er niet omheen dat die glorieuze toekomst vooralsnog niet echt vorm wil aannemen. Maar dat ligt minder aan de kwaliteit van de fotojournalistiek dan aan die van de gemiddelde fotoredactie, meent hij.

Met zijn overtuiging heeft Leroy, voormalig hoofdredacteur van het tijdschrift Photo, de afgelopen jaren een internationale schare sympathisanten en bezoekers weten op te bouwen. Zijn festival wordt ook gesteund door de gemeente en de plaatselijke Kamer van Koophandel, die er een gelegenheid in zien het nazomerse toerisme enigszins op te vijzelen. Met behulp van diverse foto-agentschappen en geïllustreerde tijdschriften, waarbij Paris Match de boventoon voert, lijkt Leroy met Visa pour L'image inmiddels in populariteit het veel oudere festival in Arles ruimschoots voorbij te streven.

Als manifestatie kent Visa een tamelijk geijkte opzet. Er is een dertigtal tentoonstellingen in het hoofdprogramma, een bijprogramma met werk van beginnende, onbekende fotografen en enige franje in de vorm van diavoorstellingen in de avond, de zogenaamde soirées. Daarnaast worden er in de loop van de eerste van de twee weken die het festival duurt enkele prijzen uitgereikt voor de beste nieuws-, dagblad en tijdschrift-fotograaf. Nieuw dit jaar is de prijs voor de meest hoopvolle foto, uitgereikt onder auspiciën van het door Microsoft-baas Bill Gates geleide Corbis, het bedrijf dat marktleider probeert te worden op het gebied van digitaal toegankelijke fotoarchieven.

De actualiteit speelt in het expositie-aanbod uiteraard een belangrijke rol. Zo zijn er tentoonstellingen over de oorlogen in Tsetsjenië (bikkelharde foto's van Stanley Greene) en Algerije, en over het dagelijks leven op Cuba (Alex Quesada) en Oost-Timor (Jean-Luc Moreau). Maar het merendeel van de gepresenteerde series en reportages lijkt tamelijk willekeurig gekozen uit wat er het afgelopen jaar is binnengekomen bij agentschappen als Vu, Sygma en Contrasto: een blik achter de schermen van drie Parijse toprestaurants; verhalen over Birma en Mauretanië, het dagelijks leven in de metro van steden als Moskou, Calcutta, New York en Londen; een National Geographic reportage over mensapen.

Ook het portret is ruimschoots vertegenwoordigd, onder meer in het werk van de Franse fotografen Véronique Vial en Gérard Rancinan. Vial toont een humoristische serie foto's van 'bekende mannen voor 10 uur 's ochtends' (Robert Altman en Terence Stamp lijken nog geheel van de wereld, de ijdele Karl Lagerfeld daarentegen is om half negen al weer hard aan het werk), Rancinan een reeks kleurenportretten van staatslieden als Mitterrand, Castro (uitkijkend over de zee, terwijl donkere wolken zich boven hem samenpakken), de Marokkaanse koning Hassan II en de Jordaanse koningin Noor. Smetteloze, perfect uitgelichte foto's zijn het, die de geportretteerden laten zien zoals ze zichzelf bij voorkeur zien. Zo kritiekloos en oneigenlijk zijn Rancinans statieportretten dat het moeite kost te geloven dat ze serieus bedoeld zijn en niet als persiflage.

Een gerichte inventarisatie vormt het Visa-programma niet, laat staan dat er is geselecteerd op fotografische trends of ontwikkelingen. Ook van een verbindend thema is geen sprake, of het zou 'real people stories' moeten zijn zoals Leroy het noemt in zijn programmaoverzicht. Maar daar valt eigenlijk alles onder wat fotojournalistiek heet.

Ruim de helft van de tentoonstellingen in het hoofdprogramma is te zien in het Couvent des Minimes, een voormalig klooster aan de rand van het oude centrum van de stad. Dat de kwaliteit van de meeste bijdragen er boven gemiddeld is, hoeft gezien Leroy's overtuiging niet te verbazen.

Wel verbazend is de fantasieloze wijze waarop het geheel is vormgegeven: lange rechte rijen van dicht op elkaar gepakte foto's. Wie er langer dan een half uur rondloopt bekruipt het gevoel in een massieve klont foto's verzeild te zijn geraakt. Daardoor gaan de beelden van oorlog en onrecht, net als die van tevreden alledaagsheid allemaal op elkaar lijken. En dat is weliswaar niet het vertier maar wel de oppervlakkigheid van het televisiebeeld waartegen de fotojournalistiek zich volgens Leroy nu juist zou moeten verzetten.