Europa's examen in 1997

Om toegelaten te worden tot de Economische en Monetaire Unie moeten lidstaten van de Europese Unie voldoen aan een vijftal criteria, die zijn vastgelegd in het Verdrag van Maastricht. Die criteria zijn:

1. Inflatie niet hoger dan 1,5 procent boven het gemiddelde van de drie best presterende landen.

2. Kapitaalmarktrente niet hoger dan 2 procent boven de drie landen met de laagste rente.

3. Begrotingstekort niet hoger dan 3 procent van het bruto binnenlands produkt (bbp).

4. Staatsschuld niet hoger dan 60 procent van het bbp of, wanneer toch te hoog, dalend in een 'bevredigend' tempo.

5. Twee jaar lidmaatschap van het wisselkoersstelsel van het Europese Monetaire Stelsel, zonder devaluaties te hebben doorgemaakt.

De ramingen in nevenstaande grafiek zijn afkomstig van de Amerikaanse zakenbank J.P. Morgan. Behalve: inschatting stijging of daling staatsschuldquote, op basis van OESO-projectie voor de staatschuld 1996; alle gegevens voor Luxemburg en Griekenland, op basis van OESO; Nederland, door ING Bank, op basis van de reeds bekende gegevens over de begroting '97. De kapitaalmarktrente is niet meegenomen in de raming, omdat de foutmarge op termijn van een jaar te groot is. Er wordt van uitgegaan dat, wanneer een lidstaat aan de andere vier EMU-criteria voldoet, ook de kapitaalmarktrente van die lidstaat zich op het gewenste Maastricht-niveau zal bevinden.

'Zekere' deelname aan de EMU is afgeleid van het volgens de raming voldoen aan alle vijf de criteria, 'waarschijnlijke' deelname aan het voldoen aan vier criteria, 'onwaarschijnlijke' deelname bij het voldoen aan aan minder dan vier. 'Geen' deelname wordt onder meer voorzien voor Groot-Brittannië en Denemarken, door hun ontsnappingsclausule in het Verdrag van Maastricht.