Een kwestie van etniciteit; Kinderen van migranten blijven een kwetsbare groep

Kinderen van migranten in Nederland hebben een tot tweemaal grotere sterftekans dan Nederlandse kinderen. Niet de economische situatie maar etniciteit is de belangrijkste oorzaak van de sterfteverschillen.

Omrekenen van de Amsterdamse cijfers naar het landelijke CBS-bestand laat de belangrijkste doodsoorzaken per nationaliteit en leeftijdscategorie zien. Bij de nuljarigen veroorzaken vooral aangeboren afwijkingen en infectieziekten de oversterfte bij Turkse en Marokkaanse kinderen. Bij de één- tot vierjarige zijn het de ongelukken en de aangeboren afwijkingen en bij de vijf- tot veertienjarigen overheerst de dood door ongelukken en verdrinking. Jaarlijks overlijden op die manier 55 Turkse en Marokkaanse kinderen meer dan op grond van de gemiddelde kindersterfte te verwachten is.

De CBS-cijfers geven een goed beeld van de sterfte onder kinderen vanaf een week na de geboorte. Maar de periode rond zijn geboorte is voor een kind riskanter. De laatste weken van de zwangerschap, rond de geboorte (perinatale sterfte) en tot een jaar daarna gebeurt (zuigelingensterfte) staat echter beter in de analyses van de zuigelingensterfte in Utrecht en die van de Landelijke Verloskundige Registratie (LVR). Daaruit blijkt een oversterfte van 100 migrantenkinderen.

De etnische afkomst in de LVR is door de assisterende verloskundige of gynaecoloog ingevuld, waarbij ietwat merkwaardige definites van etnische groepen zijn gehanteerd. Autochtoon betekent er behalve Nederlands ook Westeuropees. Mediterraan is Turks en Marokkaans. Tot de Aziaten worden niet de Turken gerekend, maar wel de Chinezen en gekleurde Indische Nederlanders. De groep 'Overig Europees' is voornamelijk Oosteuropees maar omvat ook de blanke Noordamerikanen en de 'Overigen' zijn voornamelijk vluchtelingen en illegalen. Groot voordeel van deze registratie is dat de Hindoestanen en Creolen apart zijn geregistreerd. De Hindoestanen in Nederland zijn voornamelijk Indiërs die via Suriname naar Nederland zijn gekomen. De onderzoeksleider van de LVR, de gynaecoloog dr.A. van Enk heeft de groep Creolen omgedoopt in Afro-allochtonen, omdat er behalve Nederlanders van Surinaamse afkomst de laatste jaren steeds meer negroïde mensen onder vallen uit de Antillen en mensen die direct uit Afrika naar Nederland zijn gekomen.

Het lijkt een Babylonische spraakverwarring zoals die vaak ontstaat bij de vraag wat het begrip allochtoon inhoudt, maar het is het enige grote bestand waarin de gezondheidsproblemen van Nederlanders van Surinaamse en Antilliaanse afkomst aan het licht komen. Afro-allochtone moeders hebben een tweemaal zo grote kans op doodgeboorte of overlijden van hun pasgeborene als autochtone Nederlandse moeders. Voor Hindoestaanse, Marokkaanse en Turkse moeders is de kans op een zeer jong overleden baby anderhalf maal zo groot.

De hoge sterfte onder Afro-allochtone en Hindoestaanse baby's heeft de onderzoekers verrast. Schulpen: “We denken vaak dat onbekendheid met taal en het gezondheidssysteem de oorzaak is van veel problemen. Maar dat is bij Nederlanders die uit Suriname komen nauwelijks het geval. Surinamers spreken goed Nederlands en behoren relatief tot de grootste consumenten van de verloskundige zorg. Toch zien we de hoogste perinatale sterfte bij Creoolse vrouwen, vooral veroorzaakt door veel te vroege bevallingen. We weten dat het niet alleen een Nederlands verschijnsel is. In de Verenigde Staten hebben ook de educated black women zo'n hoge kindersterfte. Van Enk heeft de relatie met vroeggeboorten aangetoond.”

Het rapport noemt een aantal mogelijke verklaringen voor de vroeggeboorten bij Afro-allochtonen. Ziekten kunnen van invloed zijn. Negroïde vrouwen hebben vaker vleesbomen (myomen) dan Europese en Aziatische vrouwen, ook komen hoge bloeddruk en vaatziekten bij hen vaker voor. Roken en staand werk kunnen van invloed zijn op vroeggeboorten, maar gegevens hierover ontbreken, behalve dat bekend is dat de helft van de zwangere Creoolse vrouwen alleenstaand zijn, wat kan betekenen dat ze buitenshuis werken en zwaarder belast worden dan vrouwen in andere etnische groepen. Het rapport noemt een samenhang met seksuele gewoonten niet onwaarschijnlijk. Migranten uit Suriname en het Caraïbisch gebied en ook uit Afrikaanse landen vertonen vaker riskant seksueel gedrag en hebben vaker seksueel overdraagbare genitale infecties dan andere etnische groepen. Er zijn aanwijzingen dat genitale infecties de kans op vroeg- en misgeboorte verhogen, aldus het rapport.

Voor de verhoogde perinatale sterfte onder Hindoestanen ontbreekt zelfs het begin van een verklaring. Meer is bekend over de oorzaak van doodgeboorte en sterfte tijdens en kort na de geboorte van baby's van Marokkaanse en Turkse vrouwen. Tienerzwangerschappen en veel kinderen bij oudere vrouwen verklaren de anderhalf keer verhoogde perinatale sterfte gedeeltelijk.

Van de Turkse en Marokkaanse vrouwen krijgt 12% hun eerste kind als tiener, terwijl dat onder Nederlandse vrouwen slechts 1% is. Bovendien krijgt ook 12% meer dan vijf kinderen, tegen 1,5% van de Nederlandse vrouwen.

KRAAMZORG

Maar de belangrijkste factor voor zuigelingensterfte blijft toch de vage term etniciteit. Schulpen: “Rond de geboorte is dat vaak inadequate zorgconsumptie. Ik zie bijvoorbeeld onder Turken en Marokkanen hier in Utrecht dat ze veel minder vaak kraamzorg nemen. Dat kost iets van 50 gulden eigen bijdrage per dag. Om die kosten te besparen en ook om geen vreemde Nederlandse over de vloer te krijgen wordt al snel een tante ingeschakeld. Vooral als de vrouw onder leiding van een gynaecoloog poliklinisch is bevallen komt er vaak pas na een week een wijkzuster om de hielprik te doen. Ik vind dat een manco in onze gezondheidszorg, vooral als je beseft dat Turkse en Marokkaanse vrouwen vaak minimaal geïnformeerd zijn over mogelijke complicaties na bevallingen en over ziekteverschijnselen bij zuigelingen. Ze leven vaak geïsoleerd, lezen nooit de Libelle of Ouders van Nu, waar veel Nederlandse ouders informatie uit halen.”

Schulpen wijst er vaak op dat de sterfte het topje van de ijsberg is met vele ziektegevallen: “Wat we niet zien zijn de ziekteverschillen tussen autochtone en allochtone kinderen. Een hogere sterfte duidt vrijwel altijd op meer ziekte in de populatie. Maar de ziekte onder de etnische groepen in Nederland valt moeilijk te meten. Huisartsen en ziekenhuizen registreren de etnische herkomst van hun patiënten niet graag. Op het ogenblik is de nationaliteit nog een aangrijpingspunt, maar etniciteit en nationaliteit lopen momenteel snel uit elkaar. Onder Turken en Marokkanen is het een trend om ook de Nederlandse nationaliteit aan te nemen. In een stad als Utrecht had begin 1994 12,7% van de inwoners niet de Nederlandse nationaliteit, maar ongeveer 20% behoorde tot een andere etniciteit dan die van blanke Westeuropeaan. De dubbele nationaliteit is vanaf 1992 mogelijk en dit jaar krijgen al ongeveer 40.000 Turken en Marokkanen de Nederlandse nationaliteit. Dat is tien procent van de totale populatie Turken en Marokkanen. Zij worden voortaan als Nederlander geregistreerd en zijn daarmee vrijwel onzichtbaar voor morbiditeitsonderzoek. Dat is al het geval met de Surinamers en Antillianen met de Nederlandse nationaliteit. Het CBS registreert pas vanaf 1993 de etniciteit in de sterftestatistiek. In de jaren daarvoor zijn de Surinamers niet in de statistiek terug te vinden. Ik vind, en vele onderzoekers met mij, dat etnische herkomst veel vaker moet worden geregistreerd, maar je merkt veel weerstand. De prijs die we voor de privacy moeten betalen is dat we de noodzaak van maatregelen straks niet meer goed kunnen onderbouwen. Grote gezondheidsverschillen worden verdoezeld. Er is zorg over het allochtone kind en dat die terecht is kunnen wij nu nog aantonen.”

Preventieve maatregelen zijn vaak snel bedacht, maar moeilijk te effectueren omdat ze ingrijpen in de cultuur. Schulpen: “In Utrecht bijvoorbeeld kunnen alle negenjarige autochtone meisjes zwemmen, maar eenderde van de negenjarige allochtone meisjes niet. Dat is niet verstandig in dit land met veel water. Je weet dat het vaak een culturele achtergond heeft. De ouders willen niet dat hun kind in badpak tussen jongens loopt. Je kunt zeggen dat die vader stom is, maar je kunt ook het verplichte schoolzwemmen weer invoeren en daar op jonge leeftijd de zwemles geven.”

Hetzelfde geldt voor de erfelijkheidsvoorlichting waarmee, vooral bij huwelijken tussen neef en nicht, veel ellende te voorkomen is. Bij ongeveer de helft van de huwelijken in het Nabije Oosten trouwen een neef en een nicht met elkaar. Ook in Nederland komen die huwelijken onder Turken en Marokkanen veelvuldig voor. De dood door aangeboren afwijkingen is onder nul- tot vierjarige Turkse en Marokkaanse kinderen aanzienlijk hoger dan bij Nederlandse kinderen. Schulpen: “Een deel daarvan is door erfelijkheidsvoorlichting te voorkomen. Er ligt prachtig voorlichtingsmateriaal klaar, opgesteld door de Vereniging van Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties. Maar het materiaal bereikt de doelgroepen niet. En als de kanalen er al zijn, dan worden ze soms niet gebruikt. Dat zien we aan de campagne 'Veilig op vakantie'. Daarin staan eenvoudige aanwijzingen voor de reis naar Turkije of Marokko en het verblijf daar. Bijvoorbeeld: laat jonge kinderen niet meteen uit de put in het dorp drinken, omdat ze nog geen weerstand tegen infecties hebben opgebouwd. Toen die campagne tien jaar geleden voor het eerst werd gevoerd, daalde de sterfte van allochtone kinderen in het buitenland met sprongen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet weet of het helemaal aan de campagne lag, want in die tijd werd geloof ik ook de APK-keuring ingevoerd. De reis werd toendertijd meestal ondernomen in oude volgepropte auto's en dat is nu veranderd. Die campagnes werken, maar ze worden nog steeds ad hoc gevoerd. Met eenvoudige middelen is al veel te doen. Wij rennen ons soms helemaal te pletter om een kind een nieuwe lever te bezorgen, of er wordt actie gevoerd om een kind het leven te redden met tonnen kostende operaties. Maar hier ligt de mogelijkheid om met vrij eenvoudige middelen tientallen kinderen jaarlijks voor overlijden te behoeden.”