Diekstra's kritiekloze overschrijven van platitudes is nog geen plagiaat

Plagiaat is in wetenschappelijke kringen een doodzonde. Maar juist door deze 'terminale' gevolgen is het wel geboden de plagiaatzaak van de Leidse hoogleraar klinische psychologie Diekstra, aanhangig gemaakt door het weekblad Vrij Nederland, zakelijk te bekijken.

Waar gaat het om bij (wetenschappelijk) plagiaat? Men zou dit verschijnsel kunnen omschrijven als de wederrechtelijke toeëigening van een oorspronkelijk en individueel gedachtegoed dat binnen de betrokken cultuur als waardevol wordt beschouwd. Oorspronkelijk en individueel wil daarbij zeggen dat bij kennis die inmiddels gemeengoed is geworden nooit sprake kan zijn van plagiaat. Zo kan iedereen zonder plagiaat te plegen stellen dat hard rijden schadelijk is voor de verkeersveiligheid.

Dat het gedachtegoed als waardevol moet worden beschouwd, moge blijken uit het volgende voorbeeld. Wanneer iemand (zonder bronvermelding) een aantal pagina's zou publiceren uit Mein Kampf van Hitler, waarin voor de joden kwetsende opmerkingen worden gemaakt, zal het openbaar ministerie hem vervolgen wegens rassendiscriminatie, maar niet subsidiair ten laste leggen het plegen van plagiaat.

Grondbeginsel van ons principe plagiaat strafbaar te stellen en te vervolgen is in feite de gedachte: ere wie ere toekomt. In de sociale wetenschappen (daar speelt de affaire-Diekstra zich af en daartoe wil ik mij hier dan ook beperken) wordt tegen dit laatste beginsel bij herhaling 'gezondigd'. Bij literatuurverwijzingen krijgen bijvoorbeeld recente publicaties als regel voorrang boven oudere, niet minder relevante, artikelen; wetenschappers in machtige posities worden eerder aangehaald dan mensen buiten het machtscentrum (het werk van promotoren wordt door niemand zo vaak aangehaald als door hun promovendi); publicisten uit een niet gewaardeerd politiek milieu zullen minder gauw aangehaald worden.

Met andere woorden: de subcultuur waarin de wetenschapper uit de sociale wetenschappen opgroeit, is in principe al geen goede voedingsbodem voor het toepassen van het principe: 'ere wie ere toekomt'.

Wat plagiaat betreft: wetenschappelijk plagiaat pleegt men zelden door letterlijk de tekst van een ander te nemen. Plagiaatplegers gaan doorgaans subtieler te werk. Men 'vergeet' dat men vroeger al iets dergelijks heeft gelezen; men 'vergeet' dat men de gedachte van een ander heeft gehoord; men verandert een nuance, zodat iets niet meer hetzelfde is en dus anders; men past een begrip uit een andere wetenschap toe in de eigen discipline (rationalisatie uit de psychologie wordt dan neutralisatie in de sociologische criminologie), enz.

Bij Diekstra is van dit alles geen sprake. Hij schrijft onverbloemd over. Niet een enkele pagina, die dan ook nog hier en daar gewijzigd wordt om wat hij doet te maskeren, maar tientallen pagina's. Dat is niet normaal meer, maar is het ook plagiaat? Is hier, gezien de teksten waar het om gaat, sprake van een wederrechtelijke toeëigening van een oorspronkelijk en individueel gedachtegoed?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden zullen we terug moeten gaan naar het boekwerk dat hier in het geding is, Het onderste boven. De titel suggereert dat het hier om een fundamenteel wetenschappelijke arbeid zou gaan, maar dat is het niet. Het boekje is, zoals we op de achterflap kunnen lezen, een verkenning. Het is de schriftelijke ondersteuning van de gelijknamige tv-serie. In de pers is het wel beschreven als populair-wetenschappelijk. Maar dat is apekool. Want net zomin als apekool een soort kool is, is populair-wetenschappelijk een soort wetenschap.

Het boekje bevat geen index, geen discussie, geen evaluatie, geen hypothese en 'natuurlijk' geen bibliografie. Om dit soort essentiële onderdelen van een wetenschappelijk werk gaat het helemaal niet. Het boekje wil slechts voorlichten, het wil hulp bieden, het geeft richingen aan, het brengt een blijde boodschap (wanhoopt niet, u kunt geholpen worden) met Diekstra als een gedreven voorlichter.

Het boekje is helder geschreven, geeft zinvolle informatie over een aantal ziektebeelden, maar het verklaart niets, legt niets uit, weegt niets af. Het stelt bijvoorbeeld: als van een aantal genoemde punten meer dan drie op u van toepassing zijn, dan lijdt u aan een bepaalde stoornis en staan de volgende therapeutische wegen voor u open. Tot slot wordt nog aangegeven welk behandelingsresultaat een groep van patiënten mag verwachten.

Het boekje is, letterlijk genomen, een kritiekloze state of the art. Het is, gezien het doel dat wordt beoogd, een geslaagde compilatie van wat allemaal - vaak al jarenlang - bekend is op dit terrein. Voor veel van de praktische suggesties geldt daarbij dat ieder weldenkend mens ze als eens geopperd heeft en dat ze sinds mensenheugenis tot het vaste repertoire behoren van dominees, diakens, pastorale werkers, goede buren enzovoorts.

Ik schrijf dit niet om afbreuk te doen aan de waarde van dit boek. Integendeel. Het onderste boven is een bekwame samenvatting van wat er allemaal op de betrokken terreinen bekend is. Het is een knappe compilatie van wat inmiddels als gemeengoed mag worden beschouwd. Ik heb in het boekje echter niets kunnen vinden dat als een oorspronkelijk en individueel gedachtegoed kan worden beschouwd. Van wetenschappelijk plagiaat kan dan ook geen sprake zijn en daarmee ook niet van een aantasting van de wetenschappelijke integriteit.

Blijft over het feit, dat Diekstra tientallen pagina's heeft overgenomen met inadequate bronvermelding, of helemaal geen bron vermeldt. Dit is onbegrijpelijk en op geen enkele manier goed te praten. Het werpt een smet op zijn blazoen en is als zodanig een aantasting van zijn persoonlijke integriteit. Ook dat is niet gering. Maar voor de vraag hoe het verder moet met Diekstra is het wel van belang een onderscheid te maken tussen de wetenschappelijke integriteit en de persoonlijke. Wat Diekstra heeft gedaan mag niet tot het wetenschappelijk plagiaat worden gerekend. Een mea culpa is natuurlijk wel op zijn plaats.

Maar daar moet het mijns inziens dan ook bij blijven. Geen disciplinaire maatregel kan immers opwegen tegen wat Diekstra en zijn gezin de afgelopen tijd hebben moeten meemaken en wat een en ander betekend heeft voor zijn persoonlijke prestige. Voor het overige is het - ook voor de geestelijke volksgezondheid - van belang dat Diekstra zijn werk voortzet aan de universiteit. Voor recidive hoeft niemand bang te zijn.