De terugkeer van de Bosnische familie Jovanovic; Schreeuwen om een groet

Uit de Bosnische stad Zenica zijn bijna alle niet-moslims gevlucht. Zo ook Pero en Ljubica Jovanovic met hun drie dochters. Ruim vier jaar woonden ze in Nederland. Omdat Bosnische vluchtelingen hun oude woning tot een jaar na het verdrag van Dayton kunnen opeisen, keren ze tijdelijk terug. Niet meer thuis in Zenica.

I

Maart 1992 vlucht het Bosnische gezin Jovanovic, vader Pero, moeder Ljubica , drie dochters, naar Nederland. In Bosnië wordt op dat moment nog niet gevochten, wel in Kroatië, en er zijn er die nog hopen dat de oorlog niet naar Bosnië zal overslaan - of in ieder geval aan Zenica voorbij zal gaan. Maar voor Pero en de zijnen is het in Bosnië, in Zenica, al oorlog.

Op een steenworp afstand van zijn huis, dat Pero zelf heeft gebouwd, bevindt zich een kazerne van het JNA, het Joegoslavische Nationale Leger. Servische soldaten, de gemoederen verhit door de oorlog in Kroatië, laten zich in Pero's restaurant vollopen en beledigen zijn vrouw Ljubica. Pero is Serviër maar Ljubica is Kroate. Op een avond houden de soldaten haar zelfs onder schot, haar en hun jongste dochter Dijana, een peuter nog. De vijftienjarige Vesna, de oudste dochter, haalt in allerijl de commandant van de kazerne erbij, die inderdaad voorkomt dat de zaak escaleert. Maar de soldaten blijven terugkomen en dreigen dat, zodra het in Bosnië oorlog wordt, zijn huis en zijn restaurant er het eerste aan zullen gaan.

In de Audi 80 waarmee de Jovanovici naar Nederland rijden, is ruimte voor één koffer de man. De rest blijft achter. Een maand later breekt in Bosnië oorlog uit.

II

Vier jaar later, na het vredesakkoord van Dayton dat door moslims, Kroaten en Serviërs is ondertekend, lijkt de oorlog in Bosnië beëindigd. Nu het weer mogelijk is van Amsterdam naar Zenica te rijden, willen Pero en Ljubica zo snel mogelijk terug. Niet definitief, daartoe kan zo gemakkelijk niet besloten worden - nee, voorlopig alleen nog om de situatie te peilen en om een regeling te treffen voor hun huis. Dat staat nog altijd overeind en wordt sinds drie jaar bewoond door gevluchte moslims elders uit Bosnië.

III

De oudste dochters Vesna en Irena waren vijftien en veertien jaar toen het gezin naar Nederland vluchtte. Beiden hebben zojuist eindexamen gedaan (Vesna VWO, Irena Havo) - Vesna is geslaagd en gaat tandheelkunde studeren maar Irena is gezakt en zal het jaar over moeten doen. Toch, binnen vier jaar eindexamen doen, dat lukt niet veel leerlingen die op een Nederlandse school terechtkomen zonder een woord Nederlands te spreken. De prestatie van Vesna is dan ook uitzonderlijk, dat Irena nog een jaar nodig heeft, is eigenlijk normaal.

De schoolresultaten van beide dochters zijn iets om trots op te zijn - maar de keerzijde van dat succes is dat Vesna en Irena er weinig voor voelen definitief terug te keren naar Bosnië. In tegenstelling tot hun ouders zijn zij, in die vier jaar tijd, halve Nederlanders geworden. Bovendien: in Nederland kunnen zij zich een toekomst verzekeren; wat de toekomst in het berooide Bosnië brengt, moet maar worden afgewacht.

IV

Een week voor vertrek heerst bij de Jovanovici een opgewonden, verwachtingsvolle sfeer. Zij spreken veel over hun huis, een huis van vier verdiepingen (de vijfde was half af toen ze vluchtten), met een café-restaurant op de begane grond. Tien jaar hebben ze voor dit huis gewerkt, hij als automonteur en taxichauffeur, zij in de Zeljezera, de staalfabriek die de middelgrote stad domineert als Philips Eindhoven. Slechts acht jaar hebben ze hun huis bewoond. Het restaurant was, toen ze het achter lieten, pas een jaar open maar het liep erg goed.

Het gezin leeft nu van een uitkering, van het schoonmaken dat Ljubica er bijna dagelijks bij doet en van de enkele auto die Pero voor medebewoners van de grote Bijlmerflat repareert - in en om de flat begint men hem te kennen.

V

We gaan met twee auto's - Pero wil een van de auto's in Bosnië verkopen - en alle bagage kan er maar net in. Die bestaat voornamelijk uit cadeaus, en uit de kleding en de schoenen die de Jovanovici en hun kennissen hier in Nederland niet meer dragen. Ljubica is dagenlang bezig geweest al die spullen in te pakken.

Onderweg komen er nog twee grote dozen bij, die wij ophalen bij vrienden (ex-stadgenoten) van Pero en Ljubica in München. In de buurt van Zagreb pikken we - onvoorzien - nog een doos op, bij een benzinepomp. Deze doos moet ook naar Zenica maar volgens de pompbediende wil de bus hem niet meenemen.

Terwijl Pero plek zoekt voor ook deze doos, bestemd dus voor mensen die hij niet kent, schiet mij een zinnetje te binnen dat ik eens ergens las, over Joegoslavië: This is essentially a caring society. We zijn met al die bagage een klein humanitair konvooi geworden.

VI

De verwoesting begint bij Karlovac, vijftig kilometer onder de Kroatische hoofdstad Zagreb. De hele vierhonderd kilometer die wij dan nog moeten rijden tot aan Zenica, komen wij sporen van de oorlog tegen. Overal waar wij kijken: muren met kogelgaten, zwartgeblakerde huizen zonder daken, huizen waarvan alleen de buitenmuren en de schoorsteen nog overeind staan, geheel verlaten dorpen, gedeeltelijk verlaten dorpen.

Ljubica staan meermalen de tranen in de ogen. “Moja Bosna”, herhaalt ze van tijd tot tijd, hoofdschuddend. Mijn Bosnië.

VII

Het huis, het staat er nog, zoals Pero en Ljubica wel wisten, de vijfde verdieping nog altijd half af. De staat waarin het verkeert is maagdelijk vergeleken met wat we langs de weg hebben gezien; toch is Ljubica erdoor geschokt.

Hasan - vluchteling uit Zepa - bewoont, met zijn vrouw, dochter, schoonzoon en twee kleinkinderen de eerste verdieping. Wij drinken Turkse koffie in de woonkamer - vier jaar geleden nog de woonkamer van de Jovanovici. Tijdens het gesprek laat Ljubica haar blik voortdurend door de kamer glijden. De muren zijn niet wit meer, maar grauw. Niets van wat zij hier had staan - volgens Ljubica mooie, dure spullen - is er nog. Wat er wel staat, is oude rommel. Hasan en de zijnen bewonen het huis, zal Ljubica later zeggen, wat wrokkig, “als zigeuners”.

Ljubica legt mij uit dat er in Zenica hongersnood heeft geheerst tijdens de oorlog (veel gevochten is er in de stad niet). Een deel van het meubilair is als brandhout gebruikt en alles wat van waarde was, is verkocht, of geruild voor voedsel - niet door Hasan overigens maar door hun eigen familie, neven en nichten die in Zenica gebleven zijn. Dat alles wist Ljubica. Maar om het ook te zíen - dat is toch wat anders.

VIII

Zenica was een stad met een meerderheid aan moslims (60 procent). Door de oorlog is die meerderheid alleen maar groter geworden (90 procent). Niet-moslims zijn gevlucht, moslim-vluchtingen van elders uit Bosnië, zoals Hasan, zijn gekomen. Van de grote familie van Pero en Ljubica - voor de oorlog was het totaal aan ooms en tantes, neven en nichten er, schat ik, tussen de honderd en tweehonderd, misschien nog wel meer - zijn veruit de meesten gevlucht: naar Nederland, Frankrijk, Duitsland, Servië, Kroatië, Australië. Alleen degenen die met een moslim of moslimse getrouwd zijn, zijn in Zenica gebleven, zoals Bato, de jongste broer van Ljubica. De zus van Ljubica woonde allang in Nederland en haar oudere broer woont hier nu ook.

Aan het interieur van hun kleine flat is te zien dat Bato, zijn vrouw Mersiha en zijn twee kleine kinderen het niet breed hebben. De twee tassen met schoenen, kleding en speelgoed die Ljubica voor ze heeft meegenomen, zijn dan ook welkom. Het is grappig om Mersiha te zien paraderen in de chique paarse knielaarzen die Irena in een opwelling moet hebben gekocht, want ze zien er nog als nieuw uit. Bato, een kleine man, is erg blij met de schoenen van Vesna, die groot van postuur is. “Precies mijn maat.” Bij alle bezoeken die wij die week afleggen, zal Bato ons vergezellen, en al die tijd op de schoenen van Vesna lopen.

De 34-jarige Bato is werkloos - zoals driekwart van de beroepsbevolking. Hij heeft - als Kroaat - moeten vechten, eerst tegen de moslims, mensen uit zijn eigen stad, later met de moslims tegen de Bosnische Serviërs. Nu hij ziet dat Ljubica en Pero met twee auto's terugkomen, die bovendien helemaal volgeladen zijn, is hij er zeker van dat hij er verkeerd aan gedaan heeft zich door zijn vrouw te hebben laten weerhouden ook te vluchten.

IX

Even voor het huis van de Jovanovici ligt de drvena cuprija, de 'houten brug' over de Bosna. De weg die over die brug leidt, voert recht het centrum in. “Wij liepen allemaal dagelijks over deze brug”, zegt Ljubica. De brug is ongeveer honderd meter lang, “maar het duurde soms wel een uur eer je aan de andere kant was. Je kwam altijd bekenden tegen.”

Die week kost het ons, de talloze keren dat wij de brug oversteken, doorgaans niet langer dan een paar minuten. “Vroeger kende ik hier iedereen, ook door ons restaurant”, zegt Ljubica, “nu ken ik bijna niemand meer. Allemaal vluchtelingen.” Het klinkt bitter. Met de komst van al die vreemdelingen en het vertrek van naasten is Zenica een stuk minder haar Zenica.

Al op de eerste volle dag die wij in Zenica zijn, brengen wij een bezoek aan de begraafplaats. Ljubica zegt dat zij hier vroeger iedere week kwam. Bij alle graven van familieleden plaatsen Pero en Ljubica een kaars en steken die aan. Bij het graf van haar moeder huilt Ljubica. Niet alleen de levenden, besef ik, maakte Zenica tot hun Zenica, maar ook de doden die er begraven liggen.

X

Iedere ochtend om half acht worden wij gewekt door de kreten van een kolonne soldaten in looppas. Zij komen uit de kazerne waar vroeger het JNA huisde. Nu zitten op dat terrein Turkse IFOR-troepen en - kennelijk -een Bosnische moslimbrigade.

Het is het 'Allah o Akhbar' - Allah is Groot - dat ons wekt. “Allah o Akhbar!” schreeuwt een superieur, “Allah o Akhbar!” echoot de kolonne soldaten.

De eerste keer dat wij het zien, en horen, kijken Ljubica en Pero alleen nog maar toe. De tweede ochtend staat Pero klaar met de videorecorder die hij voor de reis geleend heeft. Dit moeten ook Vesna en Irena zien.

Zelfs tijdens het filmen kijkt Pero mij af en toe aan met een veelbetekenend gezicht. Ik herken die blik: het is dezelfde waarmee hij mij opmerkzaam maakt op de meisjes met hoofddoeken die wij op straat tegenkomen. “Die zag je hier vroeger nooit.”

XI

Er heeft tijdens hun afwezigheid een gerucht de ronde gedaan. In een van de muren op de vijfde verdieping van hun huis - maar half af - zit een rond gat van zo'n dertig centimeter doorsnee. Van een bevriende taxichauffeur verneemt Pero dat zich het praatje heeft verspreid dat hij dat gat daar met opzet gemaakt heeft - zodat een Servische scherpschutter van daaruit op moslims kon schieten, zoals in Sarajevo gebeurde.

Pero lacht erom, maar het raakt hem wel. Als hij ook van een ander van dit praatje verneemt, valt hij uit: “Laten ze er dan bij zeggen op wie die snajper geschoten heeft! Hééft hij wel geschoten? Wie is er dan dood?! Wie?!”

XII

Halverwege de week, als Pero en Ljubica de neven en de nichten die niet gevlucht zijn (getrouwd met moslims) hebben bezocht, komt Fatima aan de beurt - een voormalige collega van Ljubica in de Zeljezera. Het enorme staalcomplex is door granaten beschadigd, maar is gedeeltelijk hersteld. De 46-jarige Fatima werkt er weer, voor 50 Duitse mark per maand, terwijl de prijzen in Zenica niet veel lager zijn dan die in Nederland. Toch zet ook Fatima ons grote schalen voedsel voor, waarvan wij - zoals al de hele week - gedwongen worden meer te eten dan ons lief is. De Bosnische gastvrijheid is groot en dwingend.

Ieder weerzien is deze week feestelijk, en bij ieder weerzien huilen de vrouwen, en soms ook de mannen. Fatima zal later op de avond verhalen over de honger vertellen; mannen verkochten hun auto voor zeven kilo meel, vrouwen hun lichaam voor beduidend minder.

Vooraf was Ljubica wat nerveus over vooral dit weerzien met Fatima. Zij was er niet zeker van hoe de oorlog Fatima als moslim benvloed had. Maar van enige reserve is bij haar vriendin geen sprake. Fatima was altijd alleen in naam moslim en daarin is zij niet veranderd. Ljubica ziet het direct bij binnenkomst, in één oogopslag; zij huilt bij dit weerzien ook uit opluchting.

XIII

Vaak, groot en gemengd als het gezelschap deze week telkens weer is - waar wij op bezoek komen, is doorgaans al bezoek of komt nog meer bezoek - laaien felle discussies op. Omdat alle partijen (Servisch, Kroatisch, islamitisch) altijd vertegenwoordigd zijn, zijn de verschillende standpunten dat ook. Zelfs bij discussies tussen Ljubica en Pero neigt Ljubica toch iets meer naar het Kroatische standpunt en Pero meer naar het Servische.

Iets simpels als de begroetingsformule kan onder deze mensen, een felle discussie van zeker een uur lang losmaken. Pero vindt dat iedereen dobar dan (goede dag) moet zeggen. Hij houdt staande dat dat de nationale, Joegoslavische, Servo-Kroatische en dus neutrale groet is. Dat de Kroaten Bog (God) zeggen, vindt hij belachelijk. Even belachelijk als het merhaba (Turks voor 'hallo') van moslims. Het stoort hem dat hij nu, hier op straat, met merhaba wordt begroet.

De finesses van de discussie, waarbij iedereen door elkaar heen schreeuwt, ontgaan mij. Toch kijk ik ademloos toe. Zeven, acht mensen die hun stem verheffen, wier gezichten rood aanlopen.

XIV

We rijden iedere avond om 11 uur naar huis want er geldt nog altijd een avondklok in Zenica. Pero en Ljubica moeten bij hun eigen huis aanbellen om er de nacht door te kunnen brengen.

Ze gluren 's avonds altijd even door de ramen van het café (als restaurant doet het nu geen dienst) om te kijken wie er zitten. Ze hebben weinig lust er binnen te gaan.

Hasan heeft de naam veranderd. Het café heette - modern - Pink en heet nu Béhar (Servo-Kroatisch, 'bloesem'). In hun tijd was het publiek er gemengd en vrij jong; twintigers, dertigers. Nu komt er een publiek dat gemiddeld tien jaar ouder is en voornamelijk bestaat uit “werkloze militairen, halve criminelen en dronkelappen”, aldus Pero. Als we op een avond tegen elven terugkomen, wordt voor onze ogen door een van de gasten een dronkelap de straat op gesmeten en nog flink getrapt. Pero en Ljubica zien het met lede ogen aan. “Dat gebeurde hier vroeger niet.”

XV

Omdat de dochters in Nederland willen blijven, moet Pero voor zijn huis een voorlopige oplossing zoeken. Want zonder Vesna en Irena willen hij en Ljubica niet terug. Als ik Pero aan het eind van de week vraag wat hij zèlf het liefst zou willen, haalt hij zijn schouders op. Het enthousiasme van voor de reis is voor een groot deel verdwenen.

Hij wil nu - als voorlopige oplossing - het café-restaurant opdoeken en de hele begane grond zakelijk verhuren, als kantoor of desnoods als opslagruimte; de eerste en de tweede verdieping wil hij verhuren aan gezinnen; en de derde verdieping voor henzelf houden, als pied à terre. Als Pero mij over dit plan vertelt, voegt hij er aan toe, toch wat verdrietig: “Straks leef ik als een gastarbeider, altijd in Nederland, en alleen in de vakanties in mijn eigen land.”

XVI

Hasan heeft de afgelopen drie jaar geen huur betaald. Pero wil dat hij dit nu wel gaat doen. Hij en Ljubica houden er rekening mee dat Hasan het huis wel eens als zíjn bezit zou kunnen gaan beschouwen. De Bosnische regering zou hebben gezegd dat vluchtelingen die niet binnen een jaar na Dayton naar hun huis terugkeren, daar geen aanspraak meer op kunnen maken; het wordt dan het bezit van de vluchtelingen die het bewonen. De hele week, tussen de bezoeken door, lopen Pero en Ljubica gemeentelijke instanties af, zoals het kadaster en de kamer van koophandel, waar nog papieren zijn waarmee bewezen kan worden dat het huis en het café-restaurant inderdaad van hen zijn. Zij hebben die papieren vier jaar geleden niet meegenomen en ze zijn nu nergens meer te vinden. Met de kopieën die zij van de instanties krijgen, voelen zij zich sterker.

Pas twee avonden voor de terugreis naar Nederland bespreken Pero en Hasan de zakelijke kwestie. Hasan zegt dat hij nog ongeveer drie maanden in het huis wil blijven wonen; tegen die tijd heeft hij het huis en het restaurant dat ook hij bezit, in Zepa, gerepareerd. Het is door granaten en geweervuur beschadigd.

Afgesproken wordt dat Hasan voor de hele periode - in totaal zo'n drie jaar sinds hij het huis betrok - vijfentwintighonderd Duitse mark zal betalen. “Het is meer dan niets”, is het commentaar van Pero. Met dat geld, zegt hij, kan hij in ieder geval de verf kopen die hij nodig heeft om alles weer te schilderen. Hij is van plan nog deze zomervakantie terug te keren - nu met de dochters - om met het verven te beginnen en om andere huurders te zoeken.

Want Hasan vertrouwt hij niet. “Waarom zou Hasan teruggaan naar Zepa als hij in Zenica een beter huis en een beter restaurant heeft?” Hij vreest dat het nog moeilijk kan worden Hasan eruit te krijgen, als die er echt niet uit wil. “De mensen in Zenica zullen achter Hasan staan en zeggen: die Serviër die heeft tijdens de oorlog lekker in het buitenland gezeten, terwijl wij hier voor zijn stad en zijn huis gevochten hebben...”

XVII

Als wij de stad uit rijden, op weg naar Amsterdam, zegt Pero dat hij opnieuw het gevoel heeft, als acht dagen eerder, naar huis te rijden.