De juwelen van de tuin

Michael King & Piet Oudolf: 'Prachtig gras, Tuinieren met siergrassen en bamboes'. Terra, Warnsveld 1996, 144 p.

Zojuist verschenen: Prachtig gras, door Michael King en Piet Oudolf, en tuinieren zal nooit meer hetzelfde zijn.

Grassen worden in tuinboeken gewoonlijk afzonderlijk behandeld, of ondergebracht in een soort quarantainestation, samen met varens. Op een of andere manier suggereert dit niet alleen dat grassen anders zijn dan gewone vaste planten maar ook dat ze een of andere moeilijkheid aankleeft, dat het planten zijn voor specialisten, niet voor gewone tuiniers. Vaak ook worden ze beschreven als 'bijdragend tot een nuttig verticaal accent', hetgeen ze ongeveer even aanlokkelijk maakt als bezemstelen. Het werd dus tijd dat ze een eigen boek kregen - en een klasse planten waaraan een zo spectaculair boek als dit gewijd wordt is iets om jaloers op te zijn. De foto's, de beschrijvingen, de synthese - een mirakel.

Bladeren er in zou niet alleen ieder zinnig mens moeten aanzetten tot het aanschaffen van grassen - en meteen ook een aantal andere van Piet Oudolfs favoriete planten - maar ook om de hele tuin te veranderen. Want dit boek, hoe listig ook vermomd als een gewoon plantenboek, is veel meer. Kennis nemen van de tekst over de toepassing van grassen in de tuin en hun combinaties met andere planten, samen met de werkelijk ongelofelijke foto's, is in feite kennismaken met een heel nieuwe stijl van tuinieren, het maakt van dit boek een standaardwerk dat veel invloed zal uitoefenen. Neem bijvoorbeeld een foto als die op bladzijde 57, die het effect toont van een grote massa bloeiende Molinia's met andere planten in bloei; je ziet bij de eerste oogopslag dat dit niet het soort tuinieren is waar we aan gewend zijn, je merkt meteen dat je te maken hebt met iets oorspronkelijks, iets werkelijk nieuws. Je hoeft geen tuinier te zijn om dat te herkennen, maar ik vrees dat je wel een kunstenaar moet zijn om het ook te kunnen, tenminste zoals Piet Oudolf het doet.

Op diezelfde bladzijd 57 staat ook een lijst van grassen met 'bloeiwijzen die met het geringste zuchtje wind bewegen' - een zin waar je dromerig bij wordt. Nog een paar van zulke evocatieve omschrijvingen zijn: 'Grassen die opvallend van kleur veranderen' - 'Grassen met een wintersilhouet'. Het roept het verlangen op in dezelfde trant door te gaan: 'Grassen die er uitzien of ze onder water groeien' - 'Grassen die doen denken aan een mirage'...

Dat is wat dit boek teweegbrengt. De manier waarop een plant beweegt in de bries is geen voordehandliggend criterium, maar als je er bij stilstaat is duidelijk dat niets zo mooi beweegt als gras. Vanaf het ogenblik dat de eerste landbouwers het eerste graan zaaiden hebben mensen gekeken naar hoe het buigt en golft in de wind. Maar afgezien van de landbouw, grassen zijn ook zo mooi in de winter: er is een serie spectaculaire foto's van hoge grassen bedekt met rijp, die je naar de winter doen verlangen.

Ik kijk naar de grassen in mijn tuin: in dit boek staat een plaat die op nostalgische wijze oproept hoe het begint; op deze aandoenlijke foto (hij staat op bladzijde 113) zie je een doos met wat bloempotten waar verschillende soorten gras in zitten, gewoon zoals ze van de kwekerij komen. Het bijschrift luidt: 'Wanneer je grassen koopt is het moeilijk om je voor te stellen dat ze binnenkort de juwelen van je tuin zullen zijn!' Het ziet er zo hoopvol uit, er spreekt een optimisme uit dat een tuiniershart sneller doet slaan. Het zijn nog maar nietige plantjes, maar let op, binnenkort zijn ze de clou van de tuin.

Helaas, de clou van iedere andere tuin, niet van de mijne. Niet dat ik het niet geprobeerd heb: zelfs voor ik van Piet Oudolf gehoord had probeerde ik al wanhopig Bowles' Golden Grass te kweken, Milium effusum 'Aureum', een van mijn allereerste tuinstukjes ging over mijn tragische belevenissen daarmee. Sedertdien heb ik er vele andere geprobeerd: als ik door de tuin loop verrijzen ze voor mijn oog als Banquo's geest en ik voel me schuldig als was ik voor hun verscheiden persoonlijk verantwoordelijk. Sommige kwijnden langzaam weg, van andere was het bestaan zo kortstondig dat ik nauwelijks tijd had om vertrouwd te raken met hun naam; sommige stonden in de zon, andere in de schaduw; sommige waren afzonderlijke pollen en één besloeg een heel veld - maar ze hebben allemaal één ding gemeen: ze hebben het afgelegd.

Nee, niet allemaal, er is er één over, en zijn overleven verklaart wat met de andere is gebeurd. Het is Carex pendula, een soort zegge, iets dat niet alleen handelbaarder is dan gras maar bovendien immuun voor de grootste tegenstrever van de grassenfamilie, de kat.

Katten eten gras, katten zijn dol op gras, en wat katten het liefst hebben is sappig nieuw gras dat zojuist is geplant, zoals op die veelbelovende foto. Het is schrijnend, vooral omdat er zoveel soorten gras bestaan, meerdere voor ieder soort plek in de tuin, maar allemaal, stuk voor stuk, zijn ze voor de poes. Behalve dan Carex pendula; het probleem komt in het boek niet ter sprake. Er is trouwens één soort gras die niet genoemd wordt: kattegras.

Vanaf het moment dat ik voor het eerst foto's van de tuinen van Piet Oudolf zag heb ik zelf zulke grassen in de tuin willen hebben, maar het ziet er naar uit dat ik me tevreden moet stellen met het boek. Terwijl ik het las dacht ik opeens: dat is de oplossing. Het is zo voordehandliggend, zo simpel, en het veroordeelt je niet tot een leven zonder katten. Nee, mijn idee, ook geïnspireerd op een tuin die ik eens gezien heb, is een stuk of wat van deze wonderbaarlijke foto's te vergroten tot schaal 1:1, ze op weerbestendig board te plakken en in mijn eigen borders te plaatsen. De katten zouden er niet naar talen en mijn tuin zou in één klap de mooiste tuin zijn van Nederland.