Als lezen pijn doet

Een hoogleraar - niet die van de vorige keer, een andere hoogleraar - schreef jarenlang een column in een krant. Toen hij daar nog maar kort geleden mee was begonnen, ging zijn stukje een keer over duimzuigen.

Alle aspecten werden in kort bestek besproken, de kalmerende werking van het ritme op het zenuwstelsel, de psychoanalytische visie, de tandheelkundige gevolgen en eindigde met een aardige anecdote over “een van onze beste alpinisten” die bij moeilijke beklimmingen nog altijd de onweerstaanbare aandrang voelt een fopspeen in z'n mond te steken.

Een collega-psycholoog las de column en stelde verbaasd vast dat alle informatie op acht regels na was ontleend aan een kort tevoren onder zijn redactie verschenen boekje. Alleen dat laatste zinnetje had de columnist verfraaid - 'een van onze beste alpinisten' - waarschijnlijk om een mooie uitsmijter te krijgen. In het boekje ging het gewoon over 'een' alpinist, die overigens niet alleen de aandrang voelde, maar die ook echt op een speen ging zuigen als hij last kreeg van angst. De collega wees de columnist op het jatwerk. Het resultaat was een draaikonterige nieuwe column, die dit keer eindigde met enkele insinuaties over mij. Ik wier giftig en toen ik de hoogleraar op het Rapenburg tegenkwam heb ik hem, om met mijn vader te spreken, het jak uitgeborsteld. Hij was wat beduusd en zei iets in de trant van “niet zo bedoeld”.

Maar geholpen heeft dit wat onbezonnen gedrag natuurlijk niet. Het bleef zijn karakteristieke werkwijze. De hoogleraar plagieerde nooit letterlijk, hij parafraseerde. Ik herinner me bijvoorbeeld de verontwaardiging van een jonge psychologe uit Maastricht die in een column over bulimia niet alleen de inhoud, maar ook de opbouw van een enkele maanden daarvoor door haar gepubliceerd wetenschappelijk artikel herkende. Zo verging het menig collega en ook vond men in de stukjes theorieën en ideeën terug die men uit de vakliterauur kende, zonder enige aanduiding van de bron. De columnist erkende ook dat hij nu eenmaal zo te werk ging en dat zijn rubriek “stijf van het plagiaat” stond. De zeldzame keer dat hij wel een bron noemde was toen hij ter verdediging een uitspraak van Lou de Palingboer citeerde: “Wetenschap is het vreten van de hersens van een ander.”

Sommige collega's werden nog wel eens kwaad, anderen sputterden onder elkaar of haalden lachend hun schouders op. Dat men uiteindelijk deze ene onverbeterlijke Vroon zijn gang maar liet gaan, wil echter niet zeggen dat dit in de psychologenwereld als een algemeen aanvaardbare werkwijze wordt gezien.

In tegenstelling tot wat wordt gesuggereerd in een persverklaring van het College van Bestuur van de Leidse universiteit bestaat er in dit opzicht namelijk helemaal geen gebrek aan “duidelijkheid en eenstemmigheid” bij het schrijven van populair wetenschappelijke teksten. Dat het College van Bestuur om hem moverende redenen een van plagiaat beschuldigde coryfee uit zijn hooglerarencorps de hand boven het hoofd wil houden, het zij zo, maar handen af van het metier waarmee ik al dertig jaar een eerlijke boterham verdien, het toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis voor een breed publiek. De betrokken hoogleraar heeft helemaal geen “bijzondere risico's” gelopen door voor niet-vakgenoten te schrijven. En het is het toppunt van hypocrisie om te suggereren dat dáárdoor “onevenredige schade wordt toegebracht aan de goede naam van een auteur”.

Bij het schrijven van populair-wetenschappelijke boeken en artikelen gelden dezelfde fatsoensnormen als in het algemeen in het intermenselijke verkeer. Ik bevind me met mijn vak niet in een smoezelig schemergebied waar je het niet zo nauw hoeft te nemen met eerlijkheid. En van anderen die zich met hetzelfde bezighouden als ik, weet ik niet anders dan dat ook zij op gangbare wijze laten weten waar zij hun wijsheid vandaan halen. Ik denk dat zij net als ik dan ook absoluut niet zitten te wachten op een “beknopte gedragscode voor het gebruik van bronnen in populair-wetenschappelijk werk”, dat het Leidse College het licht wil doen zien.

Wat bronvermelding betreft bestaan tussen wetenschappelijke en populair-wetenschappelijke teksten twee verschillen. Ten eerste het motief. Vakgenoten moeten oorspronkelijke teksten kunnen naslaan om te kijken of de redenering, die je op grond daarvan hebt opgebouwd, houdbaar is en voor verdere theorievorming nuttig is. Voor niet-vakgenoten is het meer een kwestie van bescheidenheid om te laten zien dat je het ook niet allemaal van jezelf hebt. Dat is waarschijnlijk waaraan een enkeling nu juist wel behoefte heeft, de bewonderende verzuchting: “Wat weet de professor toch veel.” Maar de professor weet niet zo zeer veel, hij leest vooral veel.

Het tweede verschil is belangrijker, namelijk de techniek van de bronvermelding. Van diverse kanten is dezer dagen verontschuldigend gezegd dat je schrijvend voor een groot publiek van leken nu eenmaal niet kunt aankomen met voetnoten en literatuurverwijzingen. Nee inderdaad, dat moet je niet doen. De zon is een ster (Jansen, 1968 a; Pietersen, 1973; Lodewijks, 1988, 1989) die relatief dichtbij de planeet aarde staat (Bakker, 1993; Timmerman, 1994) en zowel de aarde als haar satelliet maan beschijnt (Jansen, 1968 b; Bakker, 1995; Meyer, 1995; Van Dam, 1996). Dat leest niet lekker. Maar daarmee zijn de mogelijkheden niet uitgeput.

Wie een alinea letterlijk overneemt schrijft bijvoorbeeld: “Mooier dan de theoloog Leertouwer kan ik het niet formuleren”, gevolgd door de welbekende dubbele punt en aanhalingstekens. (Wie een lang stuk tekst overneemt vraagt uiteraard toestemming.) Wie een gedachtegang van een ander in eigen woorden weergeeft voegt iets toe als “psycholoog Vroon heeft het verschijnsel beschreven in zijn boek De tranen van de krokodil, en volgens hem is het zo dat...” Als het om buitenlands onderzoek gaat waarover door een reeks auteurs is gepubliceerd, hoeft niet iedereen te worden genoemd, maar schrijft men bijvoorbeeld: “Onder leiding van de Australische etoloog Creighton is een interessant onderzoek gedaan naar het gedrag van struisvogels bij volle maan.”

Gek hè, dat het zo ook kan.

Natuurlijk blijft er altijd kennis in je hoofd hangen, waarvan je de bron niet meer weet of ideeën waarvan je ten onrechte, maar oprecht denkt dat je ze zelf hebt bedacht. Maar dat is geen excuus om als je wel weet waar informatie uit afkomstig is, dit niet te melden.