Volwassenen herinneren zich geen details; Uri Orlev schrijft niet over de holocaust, maar over zijn jeugd

De Israelische schrijver Uri Orlev was even in Nederland om de H.C. Andersenprijs in ontvangst te nemen. Veel van zijn boeken gaan over de gruwelen van de oorlog, maar hij presenteert die als vanzelfsprekende gebeurtenissen. Toen in 1939 de oorlog uitbrak, hoefde hij niet meer naar school. “Het was alsof mijn gebeden werden verhoord.”

“Toen ik klein was, was ik ook anti-semitisch. Het hoorde er gewoon bij,” zegt de Israelische schrijver Uri Orlev tijdens een kort gesprekje in Amsterdam, waar hij is omdat hij in Groningen de H.C. Andersenprijs in ontvangst heeft genomen, een prijs die ook wel 'de Nobelprijs voor kinderliteratuur' wordt genoemd.

“Ik wist toen nog niet dat ik zelf joods was.” Hij lacht verlegen onder zijn snor en vertelt over de reactie van een Pools vriendje in een gesprek over joden, een reactie die hij ook heeft opgeschreven in zijn onlangs verschenen mini-autobiografie Het zandspel. Het vriendje zei: “Iedereen komt als jood ter wereld; en je blijft jood tot je door een priester wordt gedoopt.” Orlev staat er nog steeds paf van. “Zo'n intelligente reactie, de hele geschiedenis van het jodendom en het christendom zit erin. Het waren tenslotte allemaal joden, de eerste christenen.” Het is een waarheid die in het zeer katholieke Polen niet erg populair was. In Orlevs boek De man van de andere kant probeert een Poolse jongen zijn grootmoeder met hetzelfde argument ertoe te bewegen een tijdje een jood in huis te nemen totdat er een beter onderduikadres voor hem gevonden is:

“Ik begon met Jezus en de Heilige Maria. Ik vroeg haar of ze wist dat die joods waren, net als de joden in het getto.

“Als ze me had kunnen raken - dat kon ze niet, want ze zat - had ze me een draai om mijn oren gegeven.”

Volgens Orlev zijn de Polen nog steeds zo: “Als kleine kinderen die niet willen geloven waar ze vandaan komen. Ze haten de joden tot op de dag van vandaag.”

De man van de andere kant speelt in Warschau in de tijd vlak voor en tijdens de opstand in het getto (voorjaar 1943). De hoofdpersoon is een veertienjarige Poolse jongen die geregeld met zijn stiefvader meegaat door het riool naar het getto waar ze handel drijven. De stiefvader heeft alleen aan Duitsers meer de pest dan aan joden, ook al redt hij wel baby's uit het getto. Als Marian hem een keer vraagt hoe dat kan, krijgt hij ten antwoord dat hij het niet begrijpt: “Ik heb wel een hekel aan joden, maar niet aan mensen.”

Op een dag laat Marian zich door twee oudere jongens overhalen om mee te doen als ze 'een jood kaal plukken' die uit het getto probeert te ontsnappen. “(-)als ze iemand zagen lopen net alsof er niets aan de hand was, alsof hij daar zo maar wat rondliep, terwijl ondertussen zijn ogen alle kanten op flitsten, iemand met een bleek, joods gezicht, dan gingen ze naar hem toe en zeiden: 'Wil meneer wel even in deze portiek komen staan, we willen alleen even wat vragen'. En dan zag je meteen hoe hij begon te beven, omdat hij al wist wat hem te wachten stond. En dan wisten ze helemaal zeker dat het een jood was.”

Uithalen

Marian doet mee en dat verandert zijn leven. Zijn moeder vindt het geld in zijn broekzak. Als ze begrijpt hoe hij eraan gekomen is gaat ze op de grond zitten en huilt “met lange uithalen, zoals mensen huilen als er iets ontzettends is gebeurd, over een groot verlies”. Ze vertelt Marian iets dat hij nog niet wist: zijn echte vader was joods. Het betekent voor Marian dat hij over allerlei dingen opnieuw moet gaan nadenken. Hij neemt zich voor het gestolen geld te gebruiken om een andere jood te helpen, en dat doet hij. Niet dat er daardoor iets goed afloopt, in de oorlog liep er niet zo veel goed af, en Orlev maakt de werkelijkheid in zijn boeken niet zonniger. Het is zelfs vaak onthutsend wat hij zich allemaal permitteert in boeken die voor een jong publiek bedoeld zijn. Dat kan waarschijnlijk alleen maar omdat hij kans ziet helemaal te schrijven vanuit het perspectief van een kind, het kind dat hij zelf was tijdens de oorlog.

Orlev die in 1931 als Jerzy-Henryk Orlowski in Warschau geboren werd, ging nog maar net twee jaar met frisse tegenzin naar school toen in 1939 de oorlog uitbrak. “Is het je nooit overkomen dat je 's ochtends wakker werd en bad dat er iets gebeurde waardoor je in bed kon blijven? Dat je bij voorbeeld koorts had, dat er een niet al te zware storm of zelfs een oorlogje woedde? Het was of mijn gebeden waren verhoord” schrijft hij in Het zandspel. Maar de oorlog was natuurlijk geen goede fee die ervoor zorgt dat jongetjes die niet goed kunnen opletten lekker thuis kunnen blijven. De oorlog bracht heel andere dingen mee: vader was officier in het Poolse leger en werd krijgsgevangen gemaakt in Rusland. De familie moet naar het getto verhuizen waar na een paar jaar moeder door de Duitsers wordt doodgeschoten. Een tante, zuster van hun vader, neemt de kleine Uri en zijn jongere broertje onder haar hoede, ze laat ze onderduiken op verschillende adressen en koopt op een gegeven moment voor de twee jongens en haarzelf een visum voor Palestina. Met die papieren gewapend reist het drietal in 1943 naar Bergen-Belsen waar ze in een klein kamp, los van het grote concentratiekamp, de rest van de oorlog blijven. Na de bevrijding gaan de jongens naar Palestina, tante en haar vriend naar Zuid-Afrika. In Israel verandert Orlowski in de jaren vijftig op verzoek van zijn uitgever zijn naam in Orlev.

De herinneringen die Orlev aan Warschau en aan het getto heeft, zijn de herinneringen van een kind. “Volwassenen herinneren zich alleen maar de gruwelijkheden,” zegt hij “niet de details. Die weten alleen nog maar: die Duitser sloeg me, of: ik was bang. Maar een kind beleeft de dingen zo niet. Mijn broer vertelde me bij voorbeeld laatst iets dat ik destijds niet had opgemerkt: hoe we met mijn moeder op Umschlagplatz stonden, overal mensen en geschreeuw en dat mijn moeder een knikker in haar hand had waarmee ze telkens langs haar lippen streek. Soms liet ze die knikker vallen en steeds ging hij hem dan snel zoeken op de grond. Hij voelde zich verantwoordelijk voor haar en het enige wat hij voor haar kon doen was zorgen dat ze die belangrijke knikker niet kwijt raakte. Een volwassene zou die knikker vergeten en alleen de dreiging van het moment onthouden.”

In zijn beroemdste boek, het aangrijpende Het eiland in de Vogelstraat, heeft Orlev veel van zijn herinneringen aan het getto gebruikt, al heeft hij er ook van alles bij verzonnen. Zelf weet hij precies wat verzonnen is en wat niet zegt hij, maar zijn verzinsels zijn zo levensecht dat zijn broer een enkele keer dacht dat ze waar waren. “Ik wil hem dat niet vertellen. Dus ik ga nu ook niet zeggen waar het om gaat.”

Dekbed

Een echte herinnering is die aan de verlaten straten van het al grotendeels leeggehaalde getto. In de huizen stond van alles wat degenen die er nog wel waren goed konden gebruiken. De veertienjarige Alex uit Het eiland in de Vogelstraat gaat net als Orlev vroeger de verlaten huizen in om spullen op te halen die hij meeneemt naar zijn schuilplaats. Nuttige dingen, zoals een zaklantaarn, een dekbed, een petroleumstel en dergelijke, maar ook boeken uit kinderkamers. Op een of andere manier slaagt Orlev er in al die dingen vanzelfsprekend te laten klinken, niet als iets gruwelijks. Dat was het in zijn destijds twaalfjarige ogen vaak ook niet. Zoals hij in Het zandspel schrijft: “In die tijd zag ik mijzelf als een held in een spannend boek. Hoe meer mensen er om mij heen verdwenen, des te vaster was ik ervan overtuigd dat mij niets kon gebeuren en dat het verhaal goed zou aflopen.” Misschien is het datzelfde gevoel dat zijn hoofdpersoon Alex in staat stelt om zich maandenlang in zijn eentje schuil te houden in een ruïne in het getto, wachtend op zijn vader. Hij voelt zich er als op een onbewoond eiland, als Robinson Crusoe. Zijn Vrijdag is een tamme witte muis.

Het is een boek over overleven, maar het is geen heldenverhaal. Alex is een gewone jongen, die net als zijn schepper vroeger, erg bang is in het donker. (Aan dat fenomeen heeft Orlev ook nog een apart boekje gewijd, het innemende Het donkerbeest.) Angst voor duisternis in een verduisterde stad in een verlaten wijk is moeilijk te bedwingen maar er mag niet aan toe gegeven worden want dan wordt het leven onmogelijk. De jongen moet 's nachts over straat, overdag is het te gevaarlijk. Maar wat is dat spookachtig, zelfs wie het leest voelt zijn hart al bonzen.

“Er waren telkens opnieuw dergelijke geluiden. Dan bleef ik stokstijf staan. Geknars, klapperende deuren of ramen. Een paar keer week ik achteruit naar een muur, vanwege wat veren uit een gescheurd kussen of dekbed, die opeens zonder geluid uit de voordeur van een huis naar buiten kwamen dwarrelen. Net een spook. Ik praatte tegen mezelf. Ik probeerde voor al die dingen een verklaring te vinden. Maar ik kon mezelf er niet van overtuigen dat ik voor al die dingen overdag absoluut niet bang zou zijn geweest.”

Hoe is het mogelijk dat Orlev dat allemaal zó kan beschrijven, zo dat het over een echt kind gaat, dat het nergens larmoyant is maar wel aangrijpend. Zo zonder zichzelf te overschreeuwen of waar dan ook maar de indruk te maken dat er hier iets heel speciaals en bijzonders geschreven wordt. Het lijkt allemaal volstrekt natuurlijk, terwijl het intussen heel bijzonder is.

Misschien is het geheim van Orlevs boeken wel dat hij helemaal niet verbitterd lijkt door zijn ervaringen, of sarcastisch, of overdreven angstig. Het is te lezen dat details er wat hem betreft nog steeds toe doen, dat hij plezier heeft in kinderen en in hun spelletjes, dat hij van mensen houdt. In Het donkerbeest droomt het angstige eigenaartje van het beest, dat onder zijn bed woont en 's nachts tussen zijn speelgoed ritselt of met de gordijnen beweegt, vaak dat hij achterna gezeten wordt door een enge Arabier. Het boek speelt zich af in Israel in de tijd van de zesdaagse oorlog. En net als in de boeken die in de Tweede Wereldoorlog spelen is er ook hier een moeder die zegt dat de Arabieren “mensen zijn net zoals wij”. Het is de mededeling van al zijn boeken, terloops, gewoon. Toch is het een indrukwekkende overtuiging, door de context waarin ze beleden wordt.

In zijn dankwoord bij de uitreiking van de Andersenprijs zei Orlev dat hij stomverbaasd was geweest toen een journalist hem ooit vroeg of hij zichzelf beschouwde als een schrijver van holocaustromans voor tieners. Want zo voelde hij zich helemaal niet. Niet alleen had hij voor allerlei leeftijdsgroepen over een heleboel andere dingen geschreven (die boeken zijn niet in het Nederlands vertaald) maar verder had hij gewoon over zijn jeugd geschreven. Zoveel kunstenaars putten uit hun jeugd. Wat hem drijft is de behoefte om verhalen te vertellen, niet om jongeren te instrueren over de jodenvervolging. Het eiland in de Vogelstraat is volgens hem dan ook in de eerste plaats een onbewoond eiland-roman: “Toen ik Robinson Crusoe las, moest ik meteen aan het lege getto denken: de stilte, de afwezigheid van mensen, de schatkamers die de huizen vol spullen zijn.”

Het zou zeker een eigenaardige inperking zijn om het werk van Orlev in te krimpen tot holocaust-jeugdromans, dat zou trouwens ook onterecht zijn tegenover de manier waarop hij schrijft, tegenover de rijkdom aan tekenende details, tegenover de humor en de kracht van zijn taal. Een verrukkelijk boek als Lydia, koningin van Palestina (overigens, net als de andere boeken, heel goed vertaald door Tamir Herzberg, in overtuigend en levendig Nederlands), is meer een boek over verbeelding en over wat het betekent om kind te zijn dan een boek over de oorlog

Elk etiket dat erop geplakt wordt - kinderboek, oorlogsboek - is jammer. Want het is gewoon een prachtig boek, net als alle andere van Orlev. Je zou willen dat hij geen kinderboekenschrijver was, niet omdat het niet heel terecht is dat er voor kinderen zulke goede boeken geschreven worden, maar omdat volwassenen er altijd meteen een excuus in zien om die boeken dan maar niet te lezen.

De boeken van Uri Orlev worden uitgegeven door Fontein.