Verliefd op een hakbijl; Opera-regisseur Willy Decker over de stuurloze haat van Elektra

Bieden wraak en wederwraak, moord en wedermoord verlossing? De Duitse regisseur Willy Decker ensceneert de opera Elektra in het Amsterdamse Muziektheater. Hij laat zich inspireren door de schilderkunst en Duitse expressionistische films, niet door eerdere opvoeringen. Decker: “Eigenlijk ga ik nooit naar de opera.”

De Nederlandse Opera: Richard Strauss: Elektra. Muzikale leiding: Hartmut Haenchen. Voorstellingen 6/9 t/m 1/10. Voor alle voorstellingen zijn nog kaarten beschikbaar. Inl. 020 -551 89 22/ 020 - 551 82 60.

De bijl! Al tien jaar lang is de Griekse koningsdochter Elektra bezeten van de bijl als moordwapen; een bebloede hakbijl achtervolgt haar in haar nachtmerries, overdag zweeft er aldoor een bijl in haar gezichtsveld.

Elektra is een van de telgen uit het gedoemde geslacht Atreus, dat heerste over Mycene. Haar vader is Agamemnon, haar moeder Clytaemnestra en haar broer heet Orestes.

Tien jaar geleden vermoordden Clytaemnestra en haar minnaar Aegisthus koning Agamemnon met een hakbijl, terwijl hij in bad zat. Clytaemnestra handelde uit wraak: jarenlang wachtte ze tevergeefs op Agamemnon, die een uitzichtloze oorlog tegen de Trojanen voerde. Hij offerde zelfs Iphigenia, hun dochter en Elektra's zuster, om de wind gunstig te stemmen en het vijandelijke kamp aan te kunnen vallen. Op aandringen van Clytaemnestra pleegt haar geliefde Aegisthus een gruwelijke moord op Agamemnon. Aegisthus neemt nu plaats op de troon. Elektra verliest meer dan een vader: haar moeder vernietigde het dierbaarste wat ze had, de eerste man van wie ze hield. Ze is ontroostbaar.

Moord en wedermoord, wraak en wederwraak. De Griekse tragedieschrijvers Aeschylus, Sophocles en Euripides wijdden elk een tragedie aan deze noodlottige kringloop; de Oostenrijkse dichter en toneelschrijver Hugo von Hofmannsthal maakte er in 1904 een versie van die de componist Richard Strauss weer inspireerde tot zijn opera Elektra, die op 25 januari 1909 in Dresden haar wereldpremière beleefde.

In het Amsterdamse Muziektheater ensceneert de Duitse regisseur Willy Decker (Keulen, 1950) nu deze opera over Elektra's verzengende haat. De blikkerende bijl neemt in zijn uitvoering een cruciale plaats in. Het lijkt of Decker in het oude verhaal een nieuwe lijn vervlecht: de obsessie van een jonge vrouw, geobsedeerd door moordtuig. Tijdens de repetities van de eerste scène laat hij Elektra, de zangeres Eva-Maria Bundschuh, de bijl besluipen als een tijgerin die haar prooi ontdekt. Decker houdt de bijl in de hoogte, steeds iets meer. De zangeres moet haar armen eerst in de hoogte gooien, met de vingers gespreid, om zich vast te klampen aan de steel van de bijl. Dan, door het plotse gewicht, moet ze achteroverhellen en vervolgens in een vloeiende, katachtige beweging zich over de bijl heenbuigen en die in haar schoot klemmen. Zo, diep in zichzelf weggedoken, de bijl als middelpunt van haar lichaam, zingt ze haar eerste aria: 'Allein! Weh, ganz allein. Der Vater fort (-). Agamemnon! Agamemnon! Wo bist du, Vater?'

Elektra mag de bijl niet zomaar losjes aanvatten, of ze een bloem plukt. Ze grijpt ernaar als naar haar laatste houvast. Gaandeweg ontstaat voor mijn ogen een ballet voor een vrouw met hakbijl. Elektra moet van de regisseur haar bewegingen uitvergroten, de vingers wijder spreiden, elk onderdeel van de handeling duur geven - en daarmee intensiteit. Als de woorden hem ontschieten om te verduidelijken wat hij voor zich ziet, doet Decker het voor. Een kleine, lenige man springt op het podium. Zijn bewegingen hebben iets hoekigs, als in expressionistische films als Metropolis of Das Kabinett des Dr. Caligari. Hij neemt de ruimte en de tijd voor zijn handelingen. Hield de zangeres de bijl dicht tegen zich aangedrukt, Willy Decker houdt het fatale voorwerp met gestrekte armen op afstand waardoor het lijkt of de bijl het immense podium van het Muziektheater geheel en al overheerst.

Theelepeltje

Hij zegt: “Mijn inspiratiebronnen liggen in de Duitse expressionistische film en schilderkunst. Maar ook in het dagelijks leven, in wat ik om me heen zie. En in mijn dromen. Het expressionisme is een kunstvorm die bij uitstek geschikt is voor het muziektheater. Ook daarin moet je alles uitvergroten, krachtiger maken, alleen al vanwege het eenvoudige feit dat zich tussen de toeschouwers en het podium een heel orkest bevindt. Kun je in het spreektoneel een koffielepeltje verschuiven en daarmee een scala aan betekenissen uitdrukken, in muziektheater is dat onmogelijk. Een beweging met de wenkbrauwen wordt in de zaal niet opgemerkt. Het gaat mij om samengebalde kracht, om bewegingen op het toneel die elke beperking te buiten gaan. En in die beweging zoek ik de essentie op. Wat is de essentie van hoe iemand een bijl - een zo beladen bijl als die in Elektra nog wel - vastpakt? Een mengeling van fascinatie en afgrijzen, van angst en aangetrokken worden. Misschien wel van... verliefdheid. Want Elektra weet wat die bijl in haar leven uiteindelijk zal gaan betekenen: een verlossing.”

Terugkijkend op het ogenblik van de moord verzucht Clytaemnestra tegen Elektra: 'Eerst was het voordien, toen was het voorbij - daar tussenin heb ik niets gedaan.' Deze zin maakt voor Willy Decker de kern van de voorstelling uit.

“Helaas”, voegt hij eraan toe, “hebben Hofmannsthal en Strauss deze regel geschrapt. Hij staat wel in Sophocles. Hierin schuilt de essentie van Elektra's gedrag. Het beslissende moment in haar leven, namelijk dat van de dood van haar vader, is precies hetzelfde moment dat haar moeder zo desperaat wil vergeten; zij heeft het uit haar geheugen gewist. Dat wat voor Clytaemnestra niet meer bestaat, is voor Elektra een obsessie die zich niet laat temperen. Waar de moeder haar handen in onschuld wast, streeft de dochter vergelding na. Zo zijn die twee onontkoombaar met elkaar verbonden. Alleen als Clytaemnestra doodgaat, is Elektra verlost van de wonde die haar moeder telkens weer openrijt, alleen al door te zeggen dat ze tussen het moment ervoor en erna 'niets heeft gedaan.' Intussen ligt Agamemnon bloedend in de badkamer en is zijn dochter Elektra voorgoed bezeerd.'

Willy Decker wijkt af van de voorgeschreven plaats van handeling; bij hem speelt Elektra zich niet af op de binnenplaats van het koninklijke paleis van Agamemnon, maar op een langgerekte, grijs-witte, hier en daar met bloed bespatte trap die rechts begint en geleidelijk naar links in de hoogte verdwijnt. “Die trap”, verduidelijkt Willy Decker later, na afloop van de repetitie, “is tegelijkertijd binnen en buiten. Elektra leeft in een niemandsland; zij heeft zichzelf door haar onophoudelijke rouw en door haar wraakzucht tot een verschoppelinge gemaakt. Ze leeft alleen nog voor haar haat en haar verdriet. Ze verzorgt zich nauwelijks nog. Ze is een vervuild dier dat buiten de muren van het huis hokt. Er rest haar een wens: haar moeder en de minnaar van haar moeder doden.

Bebloede trap

“Het is moeilijk te zeggen hoe oud Elektra is. In theater speelt leeftijd eigenlijk nauwelijks een rol, het gaat om het innerlijk van de personages. Maar toch, we moeten proberen haar een leeftijd te geven om haar als karakter te verduidelijken en iets van haar drijfveren te begrijpen. Ik denk dat ze tussen de twaalf en vijftien jaar geweest moet zijn toen Clytaemnestra haar vader vermoordde, dus nu is ze rond de vijfentwintig. Tot nu toe heeft ze haar leven gewijd aan de heiliging van haar wraak. Ze wil niet leven, want die ene, de enige in haar bestaan, haar vader is dood. Onverwacht en gewelddadig kwam de dood in haar leven in zijn schokkendste gedaante. Met de moord op de geliefde vader stierf zijzelf. Zij heeft nooit de kans gekregen de liefde voor haar vader te ontdekken, te bestendigen, te proeven en daardoor te overwinnen. Pas nadat zij die liefde had overwonnen, zou ze een volwassen vrouw zijn geworden. Maar Agamemnons voortijdige dood heeft ook haar liefde in de kiem gesmoord. Dat was eine brennende Beziehung. Daarom ligt haar haat jegens haar moeder zo diep. Die komt voort uit gefnuikte liefde. Ze zal niet rusten voordat ook Clytaemnestra en Aegisthus door diezelfde bijl zijn omgekomen.

“Zoals er een Oedipus-complex bestaat, bestaat er een Elektra-complex. Dochters voor wie de vader alles betekent. Verdwijnt de vader uit hun bestaan, dan verliezen zij hun evenwicht en weten ze niet in welke richting hun leven moet gaan. Die stuurloosheid vertegenwoordigt Elektra. Ze kan eenvoudigweg niet in harmonie met zichzelf leven. Daarom is die brede, oneindig uitvergrote trap haar domein. Ze kan weggaan naar buiten, de wereld in, maar ze doet het niet. Ze kan ook terugkeren naar het ouderlijk huis, die plek des onheils, maar ook dat weigert ze. Elektra wil geen toekomst voor zichzelf beginnen en evenmin is ze in staat de spookbeelden uit haar verleden te laten rusten. Al haar denken en handelen richt zich op dat ene moment uit haar leven: de bijl die haar vader trof.

“De halsstarrigheid waarmee ze zichzelf als het ware vastspijkert in dat trappenhuis is haar daad van rebellie. Ze verspert anderen, zoals haar zuster en haar moeder Clytaemnestra de doorgang, en daardoor lokt ze een confrontatie uit. Zìj, de anderen, moeten keer op keer getuige zijn van haar ontreddering, van haar niet te stelpen verdriet. Daarin is Elektra tiranniek. Gebruiken de anderen de trap slechts als een doorgang, als een noodzakelijke maar betekenisloze plek om van de ene ruimte naar de andere te komen, Elektra heeft die trap tot haar koninkrijk uitgeroepen: daar is zij de heerseres. Een trap beschouw ik als een drempel, of beter: een aantal drempels met hoogteverschil achter elkaar geplaatst. Op een drempel kun je niet wonen. Elektra wel. Wie op een drempel woont, toont opstandigheid. Wil niet in beweging komen, weigert verder te leven.”

In 1977 regisseerde Harry Kupfer Elektra in Amsterdam met nadrukkelijke verwijzingen naar de Rote Armee Fraction en de wereld van provocatie en terrorisme. Hij wilde aantonen dat er parallellen bestonden tussen Elektra's wraakzucht en de in zijn ogen zinloze, politieke gewelddadigheden van die tijd. De voorstelling speelde zich af in een kale, witbetegelde ruimte waarvan de muren met bloed waren besmeerd. De aarde als slachthuis. Het was een uitvoering van explosieve kracht, meteen in het begin al. Dan speelt het orkest, bestaande uit zo'n 115 muzikanten, forte forte het Agamemnon-motief, de obsederende, donderende openingsakkoorden.

Moord en wraakzucht

Willy Decker heeft deze uitvoering niet gezien: “Eigenlijk,” zegt hij, “ga ik nooit naar de opera. Als ik maar even kan, vermijd ik het om andere uitvoeringen te zien. Ik vind in een operahuis toch niet wat ik zoek. Ik zie tussen Elektra en het terrorisme nauwelijks verwantschap. De geschiedenis van Elektra is een volstrekt particuliere, daarmee heeft een maatschappelijke constellatie weinig te maken. Ik lees geen politieke spanningen in het stuk. Elektra is de tragedie van het vermorzelde, versplinterde innerlijk van een vrouw. Ze is geen kind van haar tijd. Haar 'ik' is vernietigd. Mijn houding als regisseur tegenover Elektra is kritisch, want het is onmogelijk je met haar te identificeren. De muziek ontneemt je in de eerste plaats die mogelijkheid; zangeressen gingen aan Strauss' partituur kapot. En voor de toeschouwer is die extreem en anti-melodieus gecomponeerde muziek, sterk neigend naar het atonale, niet een uitgerolde warme rode loper om iets esthetisch, iets moois te gaan beleven. Strauss en Von Hofmannsthal stelden met Elektra morele vragen. De belangrijkste vraag luidt: 'Is haat een kracht die gebeurtenissen gunstig kan beïnvloeden?' Elektra is de personificatie van de haat. Maar wordt de wereld daar beter van? Mijn antwoord is een endgültig Nein. Moord en wraakzucht zijn het grondmotief van de menselijke existentie, al eeuwen en eeuwen lang. En die kringloop wordt nooit doorbroken.

“Elektra zelf durft de moord op haar moeder niet te voltrekken. Ze wacht en aarzelt, net zoals Hamlet eindeloos aarzelt voor hij tot handelen overgaat en net zoals Oedipus maar niet tot het inzicht wilde komen dat hij zijn vader had vermoord. Elektra's wachten is door de klassieke tragediedichters heel mooi verweven met de terugkomst van Orestes, haar broer. Elektra denkt dat hij dood is. Toch keert hij weer, levend; zijn dood was een verzinsel om hem buiten de vernietigingsdrift van Clytaemnestra te houden. Keert hij eenmaal terug naar het hof van Mycene dan bewerkt Elektra hem net zo lang tot hij zijn moeder en haar minnaar met die bijl doodt. In haar moordlust lijkt Elektra op Clytaemnestra. Zij zette immers ook een ander, haar minnaar, aan tot moord.

“Het is gruwelijk te beseffen dat er aan het slot van Elektra helemaal niets ten goede is veranderd. Orestes bestijgt de troon, over de bloedplekken van zijn moeder en haar minnaar heen stappend. En over het bloed van Elektra zelf. Zij uit de ondraaglijke spanningen waarin ze al die tijd leefde in een wilde, extatische dans. Op het hoogtepunt van die dans, als ze zich verlost weet van haar verdriet, van haar wraakzucht, stort ze in het libretto dood neer. Nee, er is niets, helemaal niets ten goede gekeerd. De enige hoop die we uit Elektra kunnen putten is het pijnlijke inzicht dat de kringloop van het geweld die de wereld regeert niet te doorbreken is... Maar mag je een dergelijk besef wel hoopgevend noemen?”

Willy Decker kijkt me na deze monoloog aan met iets weifelends in zijn ogen. Alsof bij de toeschouwer en niet bij de regisseur het antwoord ligt op de vraag naar het waarom van zo'n helse opera als Elektra. “Het slotbeeld”, vervolgt hij, “stelt de allerhoogste eisen. Hoe vreugdevol-uitzinnig moet die dans van Elektra zijn? Als motto voor mijn interpretatie zou ik een zin van Clytaemnestra willen gebruiken: 'Was die Wahrheit ist, das findet kein Mensch heraus.' In klassieke tragedies is er nooit sprake van een eenduidige waarheid. Want evengoed kan over Clytaemnestra gezegd worden dat haar wraakzucht rechtvaardig is. Hàar dochter Iphigenia is immers terwille van een zinloze oorlog geofferd. Zij wil Agamemnon van de troon verstoten, dat betekent ook: dat hij moet ophouden met oorlog voeren. Zo staat het recht goedbeschouwd aan ieders kant, al moet het gelijk met nog zoveel bloed bevochten èn bezegeld worden.”

In het Amsterdamse Muziektheater regisseerde Willy Decker bij de Nederlandse Opera eerder Wozzeck van Alban Berg naar het toneelstuk door Georg Büchner en Werther naar Goethe van J. Massenet. Het zijn uitvoeringen die zich niet snel laten vergeten. Deckers werk kenmerkt zich door pure, zuivere helderheid, waarin felle expressionistische kleuren voor een picturale zeggingskracht zorgen. Alles wat hij maakt, is helder, strak, logisch. Het woord 'consequent' is voor hem van wezenlijk belang: een operavoorstelling moet tot in het uiterste doordacht zijn. Daarom ook is de dans met de bijl onmisbaar in Elektra: het is dit werktuig dat Agamemnon verbindt met Elektra en Elektra weer met Orestes en Orestes met Clytaemnestra en Aegisthus. De bijl verenigt hen in de dood. Tussen Wozzeck en Elektra zijn er veel overeenkomsten. De titelheld uit de eerste opera zou haar twintigste-eeuwse broer kunnen zijn. Beiden bewegen zich als buitenstaanders; Wozzeck doordat alle huizen die hij binnen wilde gaan, hoe groot of klein ook, voor hem als gesloten forten zijn, en Elektra vertoeft in het naargeestige en kille trappenhuis. Zij willen opgaan in de wereld, en tevens nemen zij er afstand van. Of, zoals Willy Decker het verwoordt: “Wie de wereld niet op afstand houdt, wordt gek.”