Vastklampen aan ieder maaksel

Koos Geerds, Gods element. De Arbeiderspers, 82 blz. ƒ 34,90

De epische poëzie heeft in ons land geen echte traditie. Er zijn wel voorbeeldige uitzonderingen zoals Nijhoffs Awater (1936) en God en godin van Vroman (1967) maar grosso modo past het vaderlandse vers bij voorkeur op een halve pagina. Toch onderneemt van tijd tot tijd een Nederlandse dichter weer een poging tot epiek. Vaker echter blijkt de poëtische adem te kort voor een epos. Dan zoekt de dichter het bezield verband in een reeks korte gedichten die min of meer samenhangen. Koos Geerds deed dat twee jaar geleden overtuigend in Insekten. Van aaltje tot en met zijderups bezong hij in die cyclus drieë ndertig keer hetlevensmysterie. Wat de bundel zo indrukwekkend maakte was de bescheiden wijze waarop een protestants-christelijke levensvisie in aardse miniaturen vertolkt werd. God was daarin aanwezig zoals hij er voor gelovigen is: overal, maar onzichtbaar. Belangrijker echter was dat in Insekten ook de dominee buiten het gezichtsveld bleef. In Gods element,Geerds' nieuwe bundel, zijn de almachtige vader en zijn dominee helaas apert aanwezig. En ineens heeft Geerds ook veel meer woorden nodig om zijn visie op de schepping duidelijk te maken. Is deze kanseltaal een poging tot epiek? In ieder geval keert hij ermee terug naar de semi-epische poëzie die hij al in 'Goutbeekarchief' (1988) etaleerde; maar daar ontbrak de repeterende woordhagel die de lange verzen in Gods element soms onverteerbaar maakt. In plaats van één zorgvuldige formulering te kiezen, trekt Geerds herhaaldelijk de la met epitheta open zoalsin het gedicht 'IJsland', waarin de derde strofe, na zes regels pure opsomming en herhaling, als een treiterliedje repeterend aanvangt met: 'hier woont, hier woont de brave visser...' Dat is, denk ik dan, geen epiek dat is bladvulling. Het is alsof Geerds de regels waar wil maken waarmee hij het vierde gedicht van zijn 'Ode' (aan de poëzie) afsluit: 'Nu klampen wij ons vast aan ieder maaksel,/ creaties bouwend op mul zand,/ ontwerpend in een blinde discipline./ Jouw toverwerking is niet half aan ons besteed,/ wij zijn geen millimeter te vertrouwen.'

Was het gebrek aan vertrouwen dat de dichter ingaf om in deze bundel, naast het restwerk van Insekten, de vertaling op te nemen van zes sneue verzen van de Zuidafrikaanse theoloog Totius (18771953)? Gods element is vooral een onevenwichtige bundel. Waar Geerds zich liet inspireren door de klassieken, worden zijn regels breder, maar ook dan heb ik het gevoel dat ik vingeroefeningen lees.

Er is een aanzet tot epiek soms ook levendig op gang gebracht, zoals in het sardonische 'Valkenier', maar de verrassende metaforen van Insekten en Goutbeekarchief blijven uit. Het is vooral de dreunende toon van de prediker die overheerst. En ook Geerds zelf is te nadrukkelijk aanwezig, zoals wanneer hij in 'Buizerd', na een lange puur metaforische opbouw, in de slotregel storend zijn oog tussen de lezer en de prooibeluste vogel plaatst: 'De handen uit/ de mouwen: in het oog van de dichter plukt hij zijn buit.' Zo missen buizerd en lezer de prooi.