Tegen de nuttigheid

Bernard Knox: De oudste dode blanke Europeanen. De nalatenschap van de Grieken. Ambo, 102 blz., vert. Tinke Davids, ƒ 24,90

Docenten klassieke talen worden jaar na jaar geplaagd met vragen naar het nut van hun vak. Die vragen schrikken hen niet af. Hun ervaring heeft hen geleerd erop te antwoorden. Zonder al te veel moeite forceren ze enkele terreinen waarop de oud-student klassieke talen in het verdere leven in het voordeel kan zijn. En eigenlijk past op de ernstige vraag van de scholier slechts één antwoord: de studie van een oude taal is volkomen nutteloos. Dit is een scherpe formulering om uit te drukken dat het bij die studie niet om de bruikbaarheid te doen is. Toch is die er vermoedelijk wel. Want, afgezien van een gerechte twijfel of het een zegen is verstandig te zijn, hetgeen kort gezegd als dé trofee van de klassieke opleiding gezien wordt, gelden voor alle vermogens die men hoopt via de studie van Latijn en Grieks te verwerven twee dingen: ten eerste dat ze net zo goed langs andere wegen bereikbaar zijn, ten tweede dat ze blijkbaar niet bij alle leerlingen als een bezit voor altijd gewaarborgd zijn.

Bernard Knox' De oudste dode blanke Europeanen vat die discussie weer op. Knox is een Engelse emeritus hoogleraar aan het Amerikaanse Harvard Center for Hellenistic Studies. In dit zalig kleine boekje staan drie lezingen. Ze handelen alle over de zichtbaarheid en de bezienswaardigheid van de Griekse oudheid vandaag.

Om de bovengemelde redenen is een apologie van de oude talen bij voorbaat verdacht en belachelijk, tenzij men hardnekkig het principe hoog houdt dat die studie onprofijtig is. Bij Knox verdwijnt de argwaan na twintig bladzijden. Hij kiest partij voor het meest authentieke vertoog, dat van de Grieken zelf ter verdediging van de scholè en de parrhèsia, de rijkdom van de vrije tijd en de vrijheid van denken.

Het lucht op dat de oude Brit, afgestudeerd te Cambridge, beseft dat de klassieke talen hun reputatie van elitair conservatisme te danken hebben aan de onhoudbare pretenties van hun eigen fans, dat ze dus hoegenaamd geen hogere moraal noch een dieper leven garanderen en vooral dat ze nogal misbruikt zijn voor de vorming van een maatschappelijke elite. Knox citeert een Victoriaan in diens kerstpreek te Oxford: “Tot slot kan ik u alleen maar aanraden de Griekse literatuur te bestuderen, want die verheft de mens niet slechts boven de kudde des volks, maar leidt hem ook vaak tot posities met een aanzienlijke honorering.” Deel twee van de motivering lijkt inmiddels grotendeels achterhaald. Maar het heimwee naar Latijn als een middel tot aanzien en distinctie is ongetwijfeld in de geesten blijven hangen en dus ook het odium.

De strijd tegen dat odium, dat is Knox' missie. De wereld van Herodotus of die van Horatius, we moeten die koesteren juist als een antidotum tegen het gangbare nuttigheidsdenken. Als zodanig is de studie van de oude talen juist non-conformistisch. Zij is in onze tijd van een formele subversie.

Volgens Knox is de Griekse literatuur bovendien subversief van inhoud. Enkele bewijsstukken: Thucydides inspireerde Hobbes en Marx, de Griekse tragedie hielp Freud inzicht te krijgen in zijn eigen vermoedens omtrent het onderbewuste, Sartre bewerkte de Troades van Euripides als protest tegen de Franse oorlog in Algerije. Knox ziet in dat de klassieke talen hun slechte faam mede verdiend hebben doordat hun aanhang meteen de antieke maatschappij zelf idealiseerde. In de laatste vijftig jaar echter zijn de duistere kanten van het Griekse mirakel - de slavernij, de vrouwendiscriminatie - wel grondig onderzocht.

Maar in de oudheid al veroorloofden zelfs bepaalde mannen zich de mondigheid de hiërarchie der seksen publiekelijk te bekritiseren. In bijna alle bewaarde tragedies spelen vrouwen een hoofdrol. In een ervan, van Euripides, staat een huilerige koning toe dat zijn vrouw, Alcestis, in zijn plaats door de Dood meegevoerd wordt. Het gebeuren bevestigt de hiërarchie. Maar de zwakheid van de koning botst onbehaaglijk met de vanzelfsprekendheid dat het belangrijker is dat hij in leven blijft.

Euripides was een kind van zijn tijd, was beïnvloed door het cultuurrelativisme van de sofisten. Met hen is de cirkel van het verhaal rond. Bij hen begon dat onderwijs dat gericht is tegen een statische maatschappij die in haar normen geleefd wordt door de nomos, het voor de hand liggende, toen de traditie, nu het Nut, in feite de wetten van economie en techniek.

Knox constateert dat dat soort onderwijs “destijds evenzeer in het defensief was als tegenwoordig, ... even gevoelig ... voor de aanklacht dat het wel vragen stelde, maar geen definitieve antwoorden gaf, dat zijn effect vaak verwarrend was, en ... dat het zijn aanhangers ongeschikt maakte voor het eigenlijke leven.”

Knox is niet de eerste die waarschuwt dat de verzakelijking als norm totalitaire en mensvijandige vormen kan aannemen. Hij gelooft niet in een unieke roeping voor het onderwijs in Latijn en Grieks voor de bestrijding daarvan, wel in de heilzame werking van de humane wetenschappen als geheel. En hij heeft de indruk dat de wens om de oude talen in het onderwijs te zien verdwijnen per slot met niets anders te maken heeft dan met die machtsgreep van de zakelijkheid.