Student kan niet ook bestuurder zijn

DEN HAAG, 6 SEPT. De regeling van de bestuursstructuur moet niet te veel energie vragen. Eigenlijk gaat het hier om een 'non-issue'. Een zaak als verbetering van de kwaliteit van het onderwijs is veel belangrijker. Aldus het toenmalige Tweede-Kamerlid Netelenbos (PvdA), inmiddels staatssecretaris onderwijs, tijdens een overleg met minister Ritzen op 1 juni 1993. Ritzen gaf vervolgens aan dat hij de kwalificatie 'non-issue' wat te ver vond gaan.

Een nagenoeg gelijkluidende echo van mevrouw Netelenbos was deze week te horen van het Tweede-Kamerlid W. van Gelder, ook PvdA, tijdens het debat over de MUB, het wetsvoorstel van zijn partijgenoot Ritzen over de modernisering van de universitaire bestuursorganisatie.

In de eerste termijn van het debat trok Van Gelder alle registers open. Met vuur betoogde hij “als medewetgever”, dat hij de centrale gedachte van dit wetsontwerp, het integraal management, had omarmd met één belangrijk doel voor ogen: goed onderwijs. Daar draait het allemaal om. Alsof hij een mantra citeerde, zo vaak herhaalde Van Gelder deze centrale doelstelling. Helaas moest daarvoor volgens hem het medebestuur van studenten en personeel in universiteitsraad en faculteitsraad worden opgeofferd. Integraal management verdraagt zich immers niet met dergelijke vormen van medebestuur, aldus bij herhaling Van Gelder.

Hij had er geen moeite mee om toe te geven dat de door Ritzen voorgestelde MUB-varianten van medezeggenschap voor de studenten neerkomen op iets minder democratie. Maar dat hoge doel, goed onderwijs, rechtvaardigde dit, aldus Van Gelder. Dit betoog strookte volledig met inhoud en strekking van het wetsontwerp.

Na jaren van voorbereiding was minister Ritzen deze week bezig met een majeure wetgevingsoperatie om de universiteiten op te tuigen met een bestuursstructuur die het mogelijk moet maken dat deze slagvaardiger, sneller en onafhankelijker van de overheid kunnen opereren, waartoe een einde gemaakt dient te worden aan de verwarring van verantwoordelijkheden op de verschillende niveaus.

Om niet te veel op lange tenen te gaan staan, verwoordde Ritzen het subtiel, maar intussen niet te mis te verstaan. De bestaande structuur, met medebestuur door middel van raden met geledingen van studenten en personeel, schiet tekort. Er wordt te veel papier geproduceerd, er is veel bureaucratie, en “de echte toppers” laten zich in deze raden niet zien, aldus Ritzen.

Het pleidooi van CDA en D66 in de eerste termijn van het debat om studenten op te nemen in het faculteitsbestuur, vond Ritzen, in alle vriendelijkheid gezegd, wat raar, en ook in strijd met de geest van de wet. Dan heb je eerst met de MUB een einde gemaakt aan het medebestuur van de studenten in de faculteitsraad, en dan zou je vervolgens een student opnemen in het faculteitsbestuur? Dat zou een bron van conflicten kunnen worden, omdat dan opnieuw de verantwoordelijkheden verward zouden worden. De minister kon er met de beste wil van de wereld geen logica in ontdekken.

Maar, o schrik voor de minister, nu is zijn partijgenoot Van Gelder door de wind gegaan. In weerwil van zijn bijdrage in eerste termijn, vindt Van Gelder, na enig nadenken, dat een student best wel volwaardig lid van het faculteitsbestuur kan zijn, terwijl Van Gelder tegelijkertijd instemt met het afschaffen van het medebestuur van de studenten in de faculteitsraad.

Als de minister iets wil uitleggen, begint hij vaak met de woorden: “Even preciseren”, waarna hij kort en helder uiteenzet wat hem op het hart ligt. Na de keuze van Van Gelder voor studenten als lid van het faculteitsbestuur, moet de minister volgende week dinsdag, bij de hervatting van het debat, nog een en ander “even preciseren”.