Soms boos

Midden in de woestijn werd de kameel plotseling heel boos op zichzelf.

Er was daar geen enkele reden voor.

'Weet je wat ik van mezelf vind?', brieste hij.

'Nou?', brieste hij terug.

Maar hij durfde het niet hardop te zeggen, want hij was bang dat hij dan helemaal razend zou worden en misschien wel zou ontploffen, en hij wist niet hoe het dan verder moest met hem.

'Kalm blijven', zei hij.

'Kalm?', brieste hij. 'Zei je: kalm?'

'Ja, kalm.'

Het hielp niet. Hij verloor zijn laatste restje kalmte en probeerde zich een draai om zijn oren te geven.

'Dat zal me leren!', riep hij.

Maar hij kom niet goed met zijn rechter voorpoot bij zijn oren komen. Hij tilde zijn poot zo hoog mogelijk op, en begon daardoor te wankelen.

'Blijf staan!', riep hij. 'Blijf staan!!'

Hij viel om.

Ach, wat ben ik nu toch boos op mijzelf, dacht hij.

Hij probeerde zichzelf opnieuw een klap te geven, maar het lukte weer niet. Hij draaide op zijn zij in een cirkel in het rond.

'Ik krijg mijzelf nog wel!', riep hij.

Toen gaf hij zijn pogingen op en lag buiten adem in het zand. Zijn keel was schor en droog, zijn hart bonsde en hij was niet boos meer.

Waar zou ik ook boos om moeten zijn?, dacht hij bedroefd.

Zo lag hij daar. Hij dacht aan water en schaduw.

Na een tijd stond hij op, schudde zijn hoofd en sjokte verder, op weg naar water, dat misschien wel ergens was.

Tot hij opeens, zo maar, een paar dagen later, maar nog steeds temidden in de woestijn, zonder enige reden, weer boos werd op zichzelf.

'Ik ken mezelf wel!', schreeuwde hij.

'O ja?'

'Ja!'

Maar een klap gaf hij zichzelf niet. Dat lukte hem niet, wat hij ook probeerde.

Zo leefde hij verder, soms boos en soms helemaal niet boos, ver weg, in het midden van de woestijn.