'Paars' pensioen: meer vrijheid individu

DEN HAAG, 6 SEPT. In de toekomst blijft de opbouw van een pensioen tot 70 procent van het laatste loon (eindloon) mogelijk. Het collectief verplichtende karakter van de pensioenopbouw wordt echter verminderd ten gunste van meer vrijwilligheid en individuele verantwoordelijkheid. Het kabinet zal daartoe volgens goed ingelichte bronnen in Den Haag vandaag besluiten.

Vorige week vergaderde het kabinet voor de eerste keer over een brief van staatssecretaris F. de Grave (Sociale Zaken), waarin de door hem voorgestane 'verplichtstelling en flexibilisering van pensioenen' beknopt wordt beschreven. In de met Prinsjesdag verschijnende nota Werken aan zekerheid wordt het systeem nader uitgewerkt. Omdat er wat onduidelijkheden waren en diverse ministeries vragen hadden, zijn er afgelopen week nieuwe aanvullende teksten gemaakt.

Kern van het nieuwe pensioensysteem, dat op zijn vroegst volgende kabinetsperiode ingaat, is dat pensioenen alleen nog maar 'collectief verplicht' kunnen worden opgelegd tot een niveau van 70 procent van het gemiddeld gedurende de loopbaan verdiende inkomen (het zogeheten middelloon). Daarvoor geldt een maximum van ruim 76.000 gulden per jaar, zijnde het huidige maximum inkomen waarop sociale uitkeringen worden gebaseerd. Het blijft echter mogelijk om 'collectief vrijwillig' een hoger pensioen op te bouwen. Sociale partners kunnen daarover in de CAO afspraken maken.

Voor pensioenen die uitgaan boven 70 procent middelloon kan gebruik gemaakt worden van individuele, fiscaal gefacilieerde lijfrentecontracten en koopsompolissen. Oude pensioenrechten blijven onverkort gehandhaafd. Het blijft dus mogelijk om fiscaal gefacilieerd een pensioen op te bouwen dat recht geeft op 70 procent van het laatstgenoten inkomen (eindloon).

Wel krijgen sociale partners en individuele werknemers meer vrijheid om zelf te bepalen hoe zij de oudedagsvoorziening inrichten. De voorstellen van De Grave worden gezien als een eerste stap op weg naar een liberalisering van het pensioensysteem. Omdat de voorstellen passen in het kabinetsbeleid om collectieve regelingen terug te dringen ten gunste van meer eigen verantwoordelijkheid wordt gesproken van een 'paars pensioen'.

Of de voorstellen in de praktijk leiden tot een versobering van de pensioenen hangt af van de betrokkenen. Als sociale partners in de CAO afspraken maken over aanvullende pensioenen, dan zijn de werkgevers die lid zijn van een werkgeversvereniging, daaraan gebonden. Niet-leden kunnen echter niet worden verplicht om mee te doen, tenzij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de betreffende CAO oplegt aan alle werkgevers in de betreffende bedrijfstak (algemeen verbindendverklaring).

De huidige drie 'pijlers' voor de oudedagsvoorziening blijven gehandhaafd: de AOW, het collectief opgebouwde pensioen en het lijfrenteregime. Alleen voor de tweede peiler - het collectief opgebouwde pensioen - worden nu wijzigingen voorgesteld. Het kabinet vindt een pensioen van 70 procent van het gemiddeld gedurende de loopbaan verdiende inkomen 'maatschappelijk aanvaardbaar' en stelt sociale partners in staat om jaarlijks 2 procent van de pensioengrondslag (het inkomen waarover de pensioenpremie wordt berekend) 'op te bouwen'. In 35 jaar tijd kan zo voor werknemers een pensioen worden opgebouwd dat recht geeft op 70 procent van het gemiddeld gedurende die 35 jaar verdiende inkomen.

De zogeheten 'back ervice' vervalt. Dat is de inhaalslag die carrièremakers maken om toch nog aan een pensioen van 70 procent van het laatst verdiende inkomen te geraken. Wel kunnen carrièremakers hun pensioenrechten 'bijspijkeren' via het lijfrenteregime, dat daartoe fiscaal begunstigde mogelijkheden biedt. De 76.000-gulden grens, waarover in de nu voor liggende kabinetsvoorstellen wordt gesproken, heeft fiscaal geen betekenis. Als iemand een jaarinkomen heeft van een ƒ 100.000.-, wordt over dat inkomen maximaal 2 procent pensioen per jaar opgebouwd. Het is dus niet zo dat alleen de pensioenpremies aftrekbaar zijn tot een jaarinkomen van 76.000 gulden.

Als werkgevers en werknemers vrijwillig besluiten om de pensioenopbouw te beperken tot het middelloonniveau, dan zal dat tot slechtere pensioenen kunnen leiden. De belangengroepen Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (Opf) en de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen (VB) hebben hierover in een brief aan het kabinet hun bezorgdheid uitgesproken.