Over de jacht

Nu ook de Koninklijke Familie heeft toegezegd Zich te zullen matigen in het uitoefenen van Haar heerlijke recht op de jacht in Haar Kroondomein wordt het tijd ons eens te bezinnen.

Het dorpse jongetje dat ik was beschikte over een houten pistool. Op de kolfse kant van de loop had ik een wasknijper gelijmd, de andere kant bevatte een inkeping. Met een simpele duimdruk kon ik het elastiekje dat strak stond tussen inkeping en knijperbek van zijn ondraaglijke spanning verlossen. Met deze 'rubberen kogel' had ik het, als binnenskamerse oproerpolitie, gemunt op vliegen, die ik godzijdank nooit raakte. We noteren: 'godzijdank mis'.

In dezelfde tijd hadden mijn vriendjes en ik allen een katapult, waarmee wij elkaar intensief bestookten. Vanuit een bootje schoot ik mijn steen een keer af op een mus die op een damhek kwinkeleerde. Raakte je toch nooit. Mis, kopje eraf. Mijn schuldgevoelens dienaangaande duren voort tot op de dag van vandaag. We noteren: kopje eraf, schuld!

Terzijde: mijn enige persoonlijke vijand in het dierenrijk is de wesp. O, wat haat ik de wesp! Maar ik merk dondersgoed dat de slag met de opgevouwen krant onderweg begint te aarzelen, een tikje uit de beoogde baan buigt. Ik sla zelden raak. Wel heb ik met een ongerichte zwiep van een broodmes ten minste vijf wespen in volle vlucht onthoofd. Geen schuldgevoel. Opschrijven: wesp???

Uit het bovenstaande kunnen we leren dat ook vredelievende ik, non-boeddhist, die vindt dat de niet bestaande God zich zelfs in het kleinste leven manifesteert, dat ook ik, watje, wiens animisme zich zelfs uitstrekt tot levenloze voorwerpen (nooit zou ik met een vuistslag - haha! boem! stuk! - een leeg luciferdoosje kunnen verpletteren), dat ook ik de uit de diepten van de hersenstam, en dus uit de diepten der eeuwen stammende, lekkere oerimpuls ken - want het is lekker! - om te doden, te vernietigen, stuk te maken. En aangezien het een oerimpuls is, heeft u hem ook, lezer. Ja, ook u, hater van de jacht! Het heeft geen enkele zin om je ervoor te schamen, want hij is er nu eenmaal.

Bij mij - bij velen neem ik aan - wordt die impuls echter verstoord door iets anders, waarvan ik niet weet of het cultuur is of biologie. Dat hangt een beetje van de formulering af. Bij 'onvermogen om een medeschepsel te zien lijden' aarzel ik; bij de opvatting 'dat alles een onvervreemdbaar recht op leven heeft' aarzel ik niet: cultuur. Beschaafde mensen weerstaan hun atavistische impulsen. Beschaafde mensen jagen niet.

Tegenover mijn ouderlijk huis woonde slager Renooy, op wiens erf vaak een klagerig loeiend kalfje nuchter stond te worden opdat hij een beetje schoon kon worden geslacht. Dat slachten heb ik helaas wel eens even een beetje gezien en het doorspookt soms nog mijn watjes-dromen. Toch heb ik - o paradox - tot op de dag van vandaag des kalfjes vlees met smaak gegeten.

Ooit at ik in een restaurant wild konijn. Mijn tafelgenoot peuterde op een geven moment een stukje lood uit zijn mond en zei lachend: “Kun je zien dat het geen kat is.”

Op de kalfjes-paradox heb ik allang wat gevonden. Met 'recht op leven' bedoel ik 'bewust leven', welnu: dat heeft ie niet. Kalfje weet niet dat hij dood gaat en ook niet dat hij langer had kunnen leven. Dus: schietmasker op zijn kop en boem. Hij wist en weet van niks en wij kunnen smullen. Maar hij mag dan niets weten van het recht op leven, kalfje, het onderscheid tussen goed en slecht leven, tussen kist en stal, kent hij maar al te goed, daarom: weg met de bio-industrie.

Dezelfde redenering pas ik toe op de bontindustrie. Een onderscheid maken tussen fokken voor het vlees of voor de huid vind ik hypocriet.

Dan nu de jacht, het eigenlijke onderwerp van dit stukje. Om daar een zo zuiver mogelijk zicht op te krijgen moeten we de bekende schijnargumenten buiten beschouwing laten die jagers altijd hanteren, als dat ze de wildstand reguleren en schade aan landbouwgewassen voorkomen. Dat kan vast ook op een andere manier. Welnu, waarom blijk ik desgevraagd altijd weer volautomatisch, Pavlov-achtig, rabiaat tegen de jager te zijn en niet tegen de slager en, in mindere mate, ook niet tegen de poelier? Bij wijze van antwoord heb ik voornamelijk vragen.

Is het omdat een in gevangenschap gefokt dier eigenlijk al geen dier meer is maar een produkt, zoals de 'vijand' geen mens is, terwijl het wild fier en vrij is, net als wij, wat een sterke identificatie oplevert? Het lijkt me een emotioneel argument. Als het kalfje geen recht op leven heeft, waarom de vos dan wel? Natuurlijk, het doden van een vos mist iedere noodzaak, maar wat is, op het scherpst van de snede, de noodzaak van de vleesindustrie?

Ben ik tegen de jacht omdat de jager het lekker vindt om te doden? Kijk naar je eigen, zou ik zeggen. Dus moet ik wel tegen de jacht zijn omdat de jager, met het volgen van zijn, ook mij bekende, oerimpuls, zich buiten de beschaving plaatst. Maar is dat ook niet een emotionele, weinig zakelijke redenering? En laat ik voortaan mijn in rode wijn gemarineerde reebout in een saus van eekhoorntjesbrood op een bedje van eikeblad staan? Of moeten we het wild daarvoor gewoon gaan fokken?

Bange vragen. Wat zouden we ervan vinden als onze koeien niet werden afgevoerd naar het abattoir maar in de wei werden neergeknald? Ik heb een man, een echte man, gekend die met zijn jachtgeweer zijn eigen ongeneeslijk zieke hond doodschoot in plaats van het dier watje-achtig een spuitje te laten geven. Dat doodschieten vond hij een uiting van dierenliefde, van respect voor Hertha...

Gelukkig vind ik op de valreep nog twee zakelijke argumenten tegen de jacht: 1. men schiet zeer vaak, per ongeluk, een beschermd dier dood; 2. een groot aantal dieren raakt wel aangeschoten maar sterft niet (onmiddellijk). Dat veroorzaakt onnodig lijden, wat pleit voor een totaal verbod op de plezierjacht. Onze dertigduizend jagers scholen we via een beschavingsprogramma om tot het schieten op computergestuurde kleiduiven of kartonnen reeën, die op onvoorspelbare momenten in het struweel verschijnen.

Volgende keer over de verrukkingen van het rijden in een snelle auto.