Opgeknapte synagoge Boedapest symbool

BOEDAPEST, 6 SEPT. In het centrum van Boedapest, ingeklemd tussen gebouwen waaraan het vuil van de stad kleeft, springt de gerenoveerde synagoge in de Dohánystraat uit de coulissen. De gele en rode bakstenen zijn zo kleurig als bij de oplevering 137 jaar geleden. De minaret-achtige torens met hun koepels aan de top stralen weer. Voor de joodse gemeenschap in Hongarije betekent het meer dan een opknapbeurt: de zsinagóga is het symbool van de restauratie van het joodse leven in Oost-Europa.

De grootste synagoge van Europa staat aan de rand van het voormalige getto van Boedapest, waar in 1944 het transport van joodse inwoners naar de Duitse vernietigingskampen begon. Hier liggen de trauma's van Gusztáv Zoltai's leven. Als vijfjarige jongen overleefde hij in het getto de oorlog die aan 26 familieleden het leven kostte. Pas veertig jaar later ontdekte Zoltai dat zijn moeder niet in Auschwitz om het leven was gekomen, zoals hij altijd had aangenomen, maar dat ze na de bevrijding van het concentratiekamp in de bus op weg naar Zweden stierf.

Gisteren beleefde Gusztáv Zoltai in dezelfde buurt, waar hij altijd bleef wonen, “de mooiste dag van mijn leven”. Hoge gasten als de president van Hongarije, Arpad Göncz, en de oud-premier van Israel, Yitzhak Shamir, woonden de opening bij van de gerestaureerde synagoge van de Dohánystraat. Zoltai, de directeur van de Federatie van joodse gemeenschappen in Hongarije, zag een taak volbracht. “Als overlevende heb ik de plicht het verleden te bewaren. Deze synagoge is opgericht met het geld van joodse mensen. Het is onze taak om haar te behouden en de continuïteit van het jodendom in Oost-Europa te garanderen”.

Boedapest is daarvoor de geëigende plaats. Eenderde van haar inwoners was ooit joods. De meeste van de 800.000 tot één miljoen Hongaarse joden kwamen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog om het leven in de Duitse vernietigingskampen. Nu zijn er naar schatting nog 80.000 tot 100.000 joden in Hongarije, van wie een groot deel in Boedapest woont. Het is verreweg de grootste joodse gemeenschap die in Oost-Europa is overgebleven.

De synagoge van de Dohánystraat is haar monument van overleving. De architect Ludwig Förter, die ook de synagoge van Wenen ontwierp, schiep een 'Orientaal-Byzantijns' gebouw, gebaseerd op de beschrijvingen van de bijbelse Tempel van Salomon. De omvang - 27 bij 75 meter, met plaats voor drieduizend mensen - weerspiegelde de betekenis van de joodse gemeenschap bij de oplevering in 1859. Joodse Hongaren waren sterk vertegenwoordigd in de kunsten, de economie (vooral in de textielindustrie en het bankwezen) en in de politiek. Na de Eerste Wereldoorlog won het anti-semitisme terrein. Het aantal joodse studenten op scholen en universiteiten werd bij wet tot vijf procent beperkt, joden werden geweerd uit de ambtenarij en hun grond werd onteigend.

De massale vernietiging van de Hongaarse joden begon in 1944, in de slotfase van de Tweede Wereldoorlog. Het marionettenbewind van Hongaarse fascisten, de Pijlkruisers, stelde Adolf Eichmann in staat ook hier de Endlösung toe te passen. De synagoge, die een aantal bombardementen overleefde, was een toevluchtsoord voor veel gettobewoners. De tuin achter het gebouw werd de begraafplaats voor mensen die in het getto overleden.

De wederopbouw van de joodse cultuur was na de oorlog onder het communistisch bewind nauwelijks mogelijk. Openlijke uitingen van de joodse cultuur waren niet toegestaan. De gemeenschap was zich altijd bewust van de anti-semitische gevoelens onder de Hongaarse bevolking, en beperkte zich in stilte tot haar religie. De restricties van bovenaf waren velerlei: een gedenksteen ter nagedachtenis van Theodor - Tivadar - Herzl, de grondlegger van het zionisme die in het huis naast de synagoge werd geboren, mocht bij voorbeeld niet aan de buitenkant van het gebouw worden getoond. Het kleine Joods Historisch Museum naast de synagoge mocht geen brieven in het Hebreeuws tentoonstellen. “Onder het communisme wilden veel joodse ouders hun kinderen niet naar een joodse school sturen”, zegt Zoltai. “Ze wisten dat het tegen hun kind kon werken”.

Bovendien voelden veel Hongaarse joden zich na de oorlog aangetrokken tot de communistische partij. Joodse Hongaren drongen door tot de top van de partij, en zetten zich af tegen de groep. Volgens Robert Turán, de joodse toneelschrijver die directeur is van het museum, heeft dat de joodse gemeenschap veel schade berokkend. “De joden die toetraden tot de communistische partij, als reactie op de wrede terreur van het fascisme, waren naïeve gelovigen. Wij joden wachten nog steeds op de komst van de Messias, zij dachten die gevonden te hebben in het communisme. Ze verkeken zich totaal op de ware aard van het stalinisme. Het was een tragische grap. Mátyás Rákosi (partijleider tot 1956, red.) vond het nodig om keer op keer te verklaren dat hij geen jood was, maar een Hongaar. Je hebt een Freud nodig om het uit te leggen, maar het was heel slecht voor ons”.

Met de gemeenschap brokkelde ook de synagoge af. De pilaren die de balkons droegen, dreigden in te storten, stukken plafond vielen naar beneden en het onderhoud liep decennia achter. Van het communistisch bewind was geen steun te verwachten.

De eerste democratisch gekozen regering van Hongarije schoot in 1990 te hulp en droeg tachtig procent van de renovatiekosten (negen miljoen dollar) bij. De overige twintig procent werd door de gemeenschap zelf opgebracht, met steun van Hongaarse joden in de Verenigde Staten.

De heropening van de synagoge past in de opbloei van het joodse culturele leven sinds de val van het communisme. Zo zijn er in Boedapest nu drie joodse scholen met 1500 leerlingen en drie joodse kleuterscholen. De gemeenschap voelt zich weer erkend: in juli bereikte zij zelfs een akkoord met de Hongaarse regering over de compensatie voor de bezittingen die joden in de Tweede Wereldoorlog zijn kwijtgeraakt.

Het is het resultaat van de democratie, evenals het openlijke anti-semitisme dat in extreem-rechtse kringen weer te horen is. Joodse begraafplaatsen in Boedapest waren eerder dit jaar het doelwit van vandalen. “Het klimaat is veranderd”, geeft Zoltai toe. “Er zijn veel anti-semitische verschijnselen, maar de regering is zeker niet anti-semitisch. Er zijn anti-semieten, maar het anti-semitisme bestaat niet als stroming”. De voorzitter heeft zijn hoop gesteld op een wet die anti-semitische uitlatingen verbiedt, en die binnenkort in het parlement wordt behandeld.

Museumdirecteur Turán ziet de heropening van de synagoge vooral als “de heropening van het verleden”.

Dat kan voor niet-joodse Hongaren een pijnlijke ervaring zijn. Op foto's in het museum is te zien hoe de Hongaarse fascisten en soldaten in 1944 actief hielpen bij het vermoorden en transporteren van de joden uit het getto. “De christelijk-nationalisten in dit land hebben altijd een selectief geheugen gehad. De Hongaren hebben altijd geprobeerd hun eigen rol te vergeten. Ze hadden het altijd over 'de Duitse schuld' - over hun eigen schuld spraken ze niet”.

Toen de joden van Boedapest in 1859 hun synagoge openden, zagen ze het als bewijs van hun assimilatie in Hongarije. Voor Gusztav Zoltai is dat nu niet anders: de restauratie onderstreept de gedeelde geschiedenis van joden en Hongaren. De joodse gemeenschap wil zijn identiteit hervinden, maar tegelijk laten zien dat zij tot Hongarije behoort. “De synagoge is niet alleen van ons, maar van alle Hongaren. Net als een katholieke kathedraal behoort zij tot de Hongaarse cultuur. Als we ons dat van beide kanten realiseren, kunnen we in vrede en vriendschap leven”.