Nescio: 'Schrijft U over mij maar niks'

Verzameld werk van Nescio, twee delen onder redactie van Lieneke Frerichs. Nijgh & Van Ditmar en G.A. Van Oorschot. 1413 blz. ƒ 175,-

Al zou het recht zegevieren en Nescio binnenkort wereldwijd worden gelezen, dan nog zouden specifiek nesciaanse woorden nooit de verspreiding krijgen van het gedraaide baseballpetje. Er zit copyright op. 'Ik hoef maar een losse i te zien en ik ben weer met de Titaantjes op weg naar de kolonie van Van Eeden.'

Als een kat zijn staart optilt, komt de informatie die daarvoor nodig is niet direct uit zijn DNA. Wel dankt de kat het vermogen om zijn staart op te tillen deels aan zijn genetisch programma. Het zal binnenkort wel mogelijk worden om de staartloze katten van het eiland Man door genetische manipulatie een staart te bezorgen. Ik hoop dat het niet gebeurt, maar mochten ze op een dag toch wakker worden met een staart, dan moet ik nog zien dat ze hem omhoog krijgen. Het vermogen om hun staart op te tillen zou verloren gegaan kunnen zijn.

DNA is betrokken bij ons vermogen om taal te leren, maar het is onzin DNA te zoeken achter een specifieke uitspraak zoals deze: 'Ik houd erg veel van Nescio', of deze: 'Cultuur is het doorgeven van informatie die niet in het DNA is geprogrammeerd'. De eerste uitspraak is waar, terwijl op de definitie van cultuur van alles is aan te merken. Maar één ding weet ik nogal zeker: die definitie komt niet uit mijn DNA. Ik hoorde hem enkele dagen geleden door de telefoon en schreef hem op. Dat is cultuur, zeker als iemand dit leest en het verder vertelt.

Een langer leven dan de definitie van cultuur voorspel ik het verzoek van Nescio 'Schrijft U over mij maar niks'. Dat is bijna vijfendertig jaar na zijn dood nog zo springlevend dat ik er moeite mee heb het te negeren. Ik neem me voor langs in plaats van over Nescio te schrijven, in de hoop toch een glimp van hem op te vangen.

'Is er leven na de dood?' is een onuitroeibaar idee. Het heeft zo'n overlevingswaarde dat de originele evolutionist Richard Dawkins het gebruikte om het begrip meme mee te illustreren. Een meme, afgeleid van mimesis, nabootsing, is een door hem voorgestelde 'eenheid van culturele overdracht'. Memen verdubbelen zich door imitatie en kunnen dat in principe veel sneller dan genen. Ze springen van hoofd tot hoofd, zonder afhankelijk te zijn van de vertragende seks, waarop genen voor hun vervoer zijn aangewezen.

De filosoof Daniel C. Dennett denkt in zijn laatste boek, Darwins Dangerous Idea (1995), verder over genetische en culturele processen. Hij vermoedt dat er tussen genen en memen veel meer overeenkomst is dan analogie alleen. Kleding, muziek, beelden, maar ook tekst en andere verzamelingen van memen, zouden, net als genen, onderhevig kunnen zijn aan natuurlijke selectie.

'Schrijft U over mij maar niks', verzocht Nescio. Ik doe mijn best, zou ik zeggen. Dennett is benieuwd of er een kwantitatieve benadering mogelijk is van het gedrag van memen die concurreren om een plaats in onze hoofden, zoals bijvoorbeeld de onweerstaanbare meme God of het rationele alternatief: geen God. Het zal niet makkelijk zijn om het begrip meme ondubbelzinnig af te bakenen. Maar je hoeft maar twee genetici te hebben horen ruziën over de definitie van een gen om te weten dat er hoop is voor de memetica.

J.H.F. Grönloh

In 1918 gaf J.H. de Bois, kunsthandelaar te Haarlem een boek van Nescio uit. Daarin waren drie, nu klassieke, verhalen voor het eerst gebundeld: Dichtertje (voltooid in 1917), De Uitvreter (eerder verschenen in De Gids in 1911) en Titaantjes (eerder verschenen in Groot Nederland in 1915). De eerste druk heb ik nooit in handen gehad, wel de tweede uit 1933, waarin J.H.F. Grönloh, om eerder ontstane verwarring weg te nemen, onthult dat Nescio zijn pseudoniem is. Bij die eerste kennismaking, zal ik erg jong zijn geweest, want de Uitvreter en de Titaantjes, personages die niet ouder zijn dan een jaar of twintig, vond ik wat stoffige, een beetje vieze, oude mannen. Hadden ze, net als God in Dichtertje, schilfertjes op de kraag van hun jas?

In de marge van de tekst had een familielid met scherp potlood opmerkingen gekrabbeld die indertijd diepe indruk maakten en die ik pas weer bekeken heb. Het begon direct al in Dichtertje met 'bijtend' en bereikte een juichend hoogtepunt tegen het slot van Titaantjes, met 'prachtig bijtend to the point'. Daartussenin stonden opmerkingen als: voorbij, voorgoed voorbij... nu helaas gedempt... melancholie wordt wat looiïg... en Zeppelin bepaalt stemming. Soms bleef het bladzijden lang alleen bij strepen, maar dan begon het weer: Bezeerd landschap... geen kleren, geen meubilair, geen borden, geen bestek... en even verder, als Nescio het gezicht op Rhenen beschrijft waar de schilder Bavink zo op geploeterd had: atmosfeer Van Goyen. Bovendien waren er onderstrepingen van fragmenten en samengetrokken woorden waarmee Nescio spreektaal dicht benadert: als i zijn hoed afnam, hatti, datti, werti en hattet. Eigenlijk was dat suf gestreepte boek niet meer te lezen.

Een nieuwe meme van vermoedelijk korte adem is het weglaten van de veters uit Nikes. De rappers manifesteerden zich als eersten met de expansieve, sloffende bewegingen die daarvan het gevolg zijn en waar omstanders niet anders dan omheen kunnen. Een al ouder voorbeeld van Dawkins is het baseballpetje dat achterstevoren gedragen wordt. Deze meme heeft zich razendsnel en dwars door taalbarrières heen verspreid. Ook taalmemen kunnen zich snel verspreiden, en al dan niet vertaald, grenzen passeren. Denk aan de uitroep 'te gek' die in de jaren zestig de lucht vergiftigde, maar nu met uitsterven wordt bedreigd.

Literaire memen volgen heel andere strategieën dan modegrillen. Een nesciaanse meme met beperkte verspreiding, die nog eeuwen meekan, slaat op het Dichtertje dat geheel door kantoorwerkzaamheden in beslag wordt genomen: 'Zijn tante had reden tot tevredenheid. Haar neef hattet druk.' En zelfs een brokje van deze meme als hattet kan op zichzelf weer meme worden als anderen dat woord overnemen in teksten die helemaal niet over Nescio hoeven te gaan. Maar al zou het recht zegevieren en Nescio binnenkort wereldwijd worden gelezen, dan nog zouden specifiek nesciaanse woorden nooit de verspreiding krijgen van het gedraaide baseballpetje. Er zit 'copyright' op. Als ik, per vergissing, een eenzame i schrijf, streep ik hem weer door. Bezet door de bescheiden Nescio, die door de oorspronkelijkheid van zijn memen toch nog 'imperialist' werd. En zo heeft schrijven soms iets weg van het maken van een slalom tussen andermans memen door, al smeken die zelf nog zo hard om gekopiëerd te worden: Neem mij, verdubbel me. Een andere moraal kennen ze nu eenmaal niet, en zo kwam Mondriaan terecht op de gordijnen.

Maar al zal ik de losse i niet zelf gebruiken, ik hoef er maar een te zien en ik ben weer met de Titaantjes op weg naar de kolonie van Van Eeden: '... maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug...'

Impressionisme

W.F. Hermans heeft eens, afkeurend, geschreven dat in Nescio's wereld geen andere kunst bestaat dan het impressionisme. Daar ben ik het niet mee eens, maar ik kan me de kritiek wel voorstellen. Nog in 1955 ergert Nescio zich aan het 'idiote beeld van Zadkine' in Rotterdam, dat hij een geval van 'vernegering' noemt vanwege mogelijke Afrikaanse invloed.

Dat impressionisme belangrijk is in verhalen die omstreeks de eeuwwisseling spelen, lijkt me geen schande. Bovendien is het registreren van indrukken wel voorwaarde om het landschap in al zijn verschijningsvormen te leren kennen, maar Nescio gaat veel verder: '[...] en ik zag dat de schaduw van de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei, dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen winterdag, toen over den Voorburgwal nog geen tram reed, door de schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de straat bedekte'.

Impressionisme? De verteller schrijft over de val van die schaduw alsof hij het heeft over een vriend wiens lot hem direct aangaat. De stad (Amsterdam) en vooral het landschap zijn bij Nescio bezield en soms worden er animale eigenschappen op geprojecteerd: 'Bevreesd en bangelijk lag 't laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis, een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn.'

De tochten van de Uitvreter en de Titaantjes, de latere wandelingen van Nescio waarvan hij in zijn natuurdagboek verslag doet, zijn een poging één te worden met het landschap, erin op te gaan en tegelijkertijd goed op letten dat het niet beschadigd wordt. Nescio en zijn personages doorkruisen het landschap als antistoffen ons bloed.

Steeds weer worden plaats en beleving gekoppeld. Je zou een dichtbetekende kaart kunnen maken van geliefde plaatsen waar Nescio en zijn personages erin slagen uit te vloeien in de omgeving, hun vorm van ontsnappen aan de banale burgermaatschappij. Eerder dan met impressionisme associeer ik deze landschapsbeleving met de tradities van Australische aboriginals. De Britse Bruce Chatwin vertelt in The Songlines dat voor deze aboriginals plaatsen pas bestaan als ze levend gezongen zijn. Hun wereld blijft in stand door er een persoonlijke weg in te vinden, een songline. Dat geldt ook voor Nescio en zijn personages.

In tegenstelling tot veel aboriginals, was de Uitvreter geen kunstenaar, maar een fenomenaal geheugen voor landschap had hij wel. Langs de spoorlijn van Middelburg naar Amsterdam kende hij: 'elk veld, elke sloot, elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant, elken wissel van het spoor.' Dat doet denken aan een landschap dat door precieze benoeming van de dingen, zonder enige utiliteitsoverweging, is gaan leven. En terwijl Chatwin helemaal naar Australië moest om ten slotte bij zijn eigen songlines uit te komen, hoefden Nescio en zijn personages maar naar de oever van de Zuiderzee te lopen om te midden van hun heilige plaatsen te zijn: Waar God zich in de stilte en de leegte openbaarde.

God bij Nescio is een curieuze meme. Hij neemt vele gedaanten aan en een bioloog leest zijn werk zonder moeite als een 'On the origin of deities'. De schepper geschapen, geëvolueerd tot Godenzwerm. Nescio's pantheon doet denken aan de dertien soorten Darwinvinken op de Galapagoseilanden, in de loop van een korte evolutie ontstaan, en voorzien van snavels die per soort zo verschillend zijn als een combinatietang, een draadkniptang of een waterpomptang. Net als deze waaier van vinken, schiep Nescio een waaier van Goden. Elk van hen, uitgezonderd het Opperwezen Natuur, heeft zich verschanst in een enge maatschappelijke nis en loert op een gelegenheid om zich als een wielklem vast te klinken aan de gastheer die voor zijn broodwinning op hem is aangewezen.

Het zijn vaak carrièregoden. De God van de Handel bespringt de zakenman, de God van het Handelsblad de journalist, de God voor Kantoorbenodigdheden de kantoorklerk. Wanneer enkele van de Titaantjes, na een onaangepast en idealistisch begin, steeds verder vast lopen in de burgermaatschappij, hebben ze moeite hun oude God, de God van hemel en aarde die overal is in de natuur, te vergeten en symbiotisch te worden met de nieuwe carrièregod. Vragen om problemen natuurlijk en dit gebrek aan opportunisme, waaraan alleen het Titaantje Hoyer niet lijdt, is slecht voor de personages, maar goed voor de literatuur. Misschien danken de Titaantjes daaraan hun melancholieke lading, maar dat zullen we nooit weten. *

Dichtertje

Nescio heeft zich misschien zorgen gemaakt over het verdwijnen van zijn werk: 'En de afleveringen der tijdschriften begonnen langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij schreef trouwens toch onder een anderen naam.' Memen kunnen verloren gaan, net als genen. Soms verdwijnen ze door 'toeval' zoals Hemingway overkwam toen zijn vrouw een koffer met daarin manuscripten, inclusief doorslagen, kwijtraakte. Ze had hem een ogenblik onbewaakt in de trein laten staan. Er waren geen kopieën, behalve dan wat Hemingway zich nog kon herinneren.

Een ander voorbeeld van een verdwenen meme, ten minste in zijn oorspronkelijke vorm, is het liedje uit de Nancy Brick dat Japi in De Uitvreter zingt en dat misschien nergens anders meer bestaat dan in dit verhaal. De muziek zoekgeraakt, die ene wasrol waar het nog op stond onherstelbaar beschadigd en de hoofden waarin het nog jarenlang heeft nageklonken zijn er niet meer? Ook de stukjes die Nescio publiceerde in de Pionier, het weekblad van de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit zijn lang met uitsterven bedreigd geweest. Maar het belangrijkste memenverlies vindt plaats bij de bron, de schrijver zelf. Zeker als hij zo kritisch is over zijn eigen werk als Nescio, personifieert hij een zware selectiedruk. Hij is het die beslist welke teksten voor publicatie in aanmerking komen en welke eindigen in de prullenbak.

Na zijn debuut publiceerde Nescio lange tijd niets. Maar in 1946 verschijnt het prachtige bundeltje Mene Tekel en nog veel later, in 1961, Boven het Dal. 'Wrakstukken' heeft hij zijn schetsen en verhaaltjes ooit genoemd: 'Fragmenten die in mijn boekje niet zijn opgenomen ter wille van de compositie maar die misschien voor dezen en genen nog wel aardig zijn om te lezen'.

Publiceren of vernietigen, die keus heeft een schrijver als hij het heft zo veel mogelijk in eigen hand wil houden, maar er is een linke derde mogelijkheid: bewaren in een lade. Link omdat gepasseerde memen hun lot niet altijd aanvaarden. Soms zinnen ze jaren na de dood van hun bedenker nog altijd op wraak. Nescio had zo'n lade. Heeft hij de kracht van zijn memen onderschat? Ik denk niet dat hij zelfs maar de mogelijkheid heeft overwogen dat ze uitsluitend ter wille van hun eigen voortbestaan tot een mensenoffer in staat zouden zijn. Dat ze een toegewijde memenraapster zouden weten aan te trekken om hen op te sporen, te ontcijferen, te ordenen, te herenigen in twee opvallend mooie delen dundruk en van commentaar te voorzien met publikatiegeschiedenis en al.

Toen ik voor het eerst hoorde van deze wetenschappelijke uitgave van het verzameld werk, vreesde ik voor een onleesbaar geschrift boordevol noten. Nescio postuum gemangeld door het 'Leidener Klammersysteem'. Maar ook ik onderschatte de kracht van zijn memen. Ze hielden alle wetenschappelijk commentaar weg uit de tekst. Het staat helemaal achterin en wie er geen behoefte aan heeft, kan er gemakkelijk omheen. Het eerste deel van deze leeseditie bevat, behalve het gepubliceerde, ook het nagelaten werk: Probeersels van een zeventienjarige, zelfs hij heeft het moeten leren, eerdere versies van gepubliceerde verhalen, nooit eerder gepubliceerde stukjes, fragmenten en enkele brieven.

'Behalve de man die zich in de Waal verdronken heeft, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.' In deze vroege zin die als verraad klonk toen ik hem voor het eerst las, valt de Uitvreter nog niet samen met de man die zich in de Waal verdronken heeft. Met dit soort gemuteerde memen staat het eerste deel vol. Het verbaast me een beetje dat ik die eerdere versies van de Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje met zo veel plezier heb gelezen. Misschien komt het doordat die varianten, waarin de evolutiegeschiedenis van veel passages op de voet te volgen is, wel bij Nescio passen. Je leest ze zoals je verschillende zomers beleeft. Onmiskenbaar zomer, maar geen twee zomers zijn precies hetzelfde. Het zijn variaties op een thema, niet same wel similar.

Natuurdagboek

Het tweede deel van het verzameld werk, het natuurdagboek beslaat de periode van begin 1946 tot eind 1955. Het is niet duidelijk of Nescio van plan is geweest deze aantekeningen te publiceren. Veel notities over uitstapjes zijn nogal particulier. Ze maken de indruk vooral bedoeld te zijn om later zo'n dag weer eens te kunnen terughalen. Wel staan er tussen de aankomst- en vertrektijden van bussen, tussen de vele kopjes koffie, spritsen en tom-poucen beeldende landschapsbeschrijvingen: 'Op de terugtocht: in rondomme donkerte plotseling opbarsten van een bal zeer witte meeuwen die daarna heel wit uit ekaar vlogen', of mooi nors commentaar op de voortwoekerende bureaucratisering van Nederland: 'Workum, 2 sigaren gekocht in een winkeltje waar ze verkochten: manufacturen, spek, hoepels, aschbakken, koppen en schotels en koperen bloempotten, touw, stijfsel, jam, gedroogde appeltjes, suiker, tabak, sigaren en pijpen. Hoeveel diploma's moet die man wel hebben in dezen tijd van rabiate ordelievendheid...'.

Doordat Nescio het landschap rondom Amsterdam zo goed kent, beschrijft hij niet alleen wat hij ziet, maar ook wat hij vermoedt of verwacht te zien: '...Alweer geen leeuwerik. Hebben de Italianen alle leeuwerikken opgegeten?' en enkele dagen later: 'Steeds nergens leeuwerikken.' Een niet onbelangrijk deel van dit dagboek gaat over missen en de woede om wat verdwijnt, of al verdwenen is. Nederland dat in zijn ogen, nota bene toen al, begon te lijken op een 'bedorven lolplaats', aangetast door betonwegen en andere platte lelijkheid. Af en toe zoekt Nescio vrienden op, zoals de dichter Van Geel, of ziet hij de schimmen van Bavink en Bekker ergens de hoek om gaan.

Wat is een gebeurtenis? Op zeven april 1953 wordt Mariussi, een kleinzoon op wie Nescio duidelijk erg is gesteld, aangereden en de volgende morgen vroeg sterft hij. Ik verwachtte dat wel uit zijn notities zou blijken hoezeer de dood van dat jongetje hem heeft aangegrepen. Niets daarvan. De tochtjes gaan gewoon door en ook de verwoording van wat kennelijk wel gebeurtenissen zijn binnen de begrenzingen van dit natuurdagboek: 'De bestrate brink van St. Oedenrode met een rij bloeiende kastanjes voor huizen...'.

Meer dan over bekenden schrijft hij over onbekenden, maar dan is het bijna altijd ellende. Veel nare, sluwe koppen, bij uitzondering een echt gezicht, of een leuk bloot been.

Het opgraven en bij elkaar brengen van de verspreide nesciaanse memen doet een beetje denken aan Jurassic Parc. Zoals in die film de genen van dinosauriërs bij elkaar gesprokkeld werden, zo wist bezorgster Lieneke Frerichs Nescio's memen te voorschijn te brengen. In de film worden uit dat herenigd genetisch materiaal dinosauriërs gebouwd die het ook echt doen. Dat is in principe ook mogelijk met deze memen. Door Nescio's eigen montagetechniek toe te passen, hij schoof voortdurend met memen, moet het mogelijk zijn onvoltooide verhalen alsnog af te ronden, misschien zelfs nieuwe te maken. Het eerste deel van het verzameld werk zou kunnen worden gebruikt als een bouwpakket voor een nieuw Titaantje, of een alternatieve Uitvreter. Dat gaat zelfs een stap verder dan in Jurassic Parc waarin alleen dinosauriërs die ooit werkelijk hebben bestaan tot leven worden gewekt. Nescio zou zich omdraaien in zijn graf als er toch nog een vervolg kwam op de Uitvreter, zeker andermans vervolg. En wat als die nieuwe Titaantjes, eenmaal in elkaar gezet, beginnen te lopen? Kan het ongepubliceerd werk nog terug in de lade? Te laat.

* Koos Geenen, 'Nescio, cynicus of mysticus?' In Over Nescio. Beschouwingen en interviews, BZZTôH Literair archief. Den Haag 1982.