'Misbruik van voorkennis is goed bewijsbaar'

DEN HAAG, 6 SEPT. Advocaat Daan Doorenbos van het gerenommeerde strafpleiterskantoor Wladimiroff en Spong, adviseur/raadsman van verdachten in de voorkenniszaak BolsWessanen, heeft het allemaal al vier jaar geleden in zijn proefschrift uitgelegd: beurshandel met misbruik van voorwetenschap is goed bewijsbaar. Doorenbos ziet dan ook helemaal niets in het nieuwe wetsvoorstel (“dat wanprodukt van het ministerie van Financiën”) dat nu bij de Raad van State ligt en dat 't het Openbaar Ministerie veel gemakkelijker maakt om misbruik van voorwetenschap aan te tonen.

De bewijslast wordt volgens hem in de nieuwe wet omgedraaid. Niet het Openbaar Ministerie moet bewijzen dat de verdachte schuldig is, de verdachte moet straks zèlf aantonen dat hij onschuldig is, aldus Doorenbos' redenering. “Je criminaliseert de beursspeculanten op deze manier”, meent de Haagse advocaat. “Iedereen die goed geïnformeerd is, het management van elke beursgenoteerde onderneming, zit straks in de gevarenzone. Privé-effectenbezit van bestuurders ban je hiermee uit. Je jaagt een hoop mensen van de beurshandel weg. Economisch gezien is dat niet echt gunstig. Maar het gaat mij meer om het principe dat je veel te snel aan een misdrijf schuldig wordt geacht.”

Daan Doorenbos, vorige maand 31 jaar geworden, treedt op in drie van de totaal vijf grote voorkennis-affaires die Nederland rijk is. Doorenbos is raadsman van Albada Jelgersma (eigenaar van levensmiddelengroothandel Unigro) in de HCS-affaire, de eerste voorkenniszaak die door Justitie tot de hoogste instantie is uitgevochten - en verloren. Doorenbos was bovendien juridisch adviseur voor de raad van commissarissen van Borsumey Wehry in de tijd dat bestuurders van Borsumy van misbruik van voorkennis werden verdacht. En hij treedt op in de zaak BolsWessanen, die de afgelopen week onder meer heeft geleid tot aaanhouding van een hoge functionaris van het voedings- en drankenconcern.

Doorenbos geldt als een van weinige echte experts op het gebied van voorwetenschap. Hij promoveerde op 27-jarige leeftijd bij de Nijmeegse hoogleraar Korstens, nu lid van de Hoge Raad, op onderzoek naar financieel strafrecht. “Gaande mijn onderzoek ondervond ik dat misbruik van voorwetenschap een van de kerndelicten uit het financieel strafrecht is.” Misbruik van voorwetenschap is in Nederland in de jaren zeventig ter discussie gekomen. “Er was in die tijd nog geen enkele regel. Men had vrijwel vrij spel ten aanzien van voorwetenschap. Het werd misschien niet chic geacht, maar ook niet strafwaardig.” Handel met voorkennis werd niet zelden als beloning voor goed management beschouwd: als je als bestuurder goede resultaten met je onderneming boekte, mocht je de voorwetenschap best te gelde maken op de beurs.

Wel waren er enkele relletjes rond voorkennis, onder meer de affaire rond Suiker Unie waarbij bestuurders werd verweten met voorkennis hun eigen zakken flink te hebben gevuld. Een voorstel van de Commissie Vennootschapsrecht onder leiding van professor Van der Grinten om handel met voorkennis strafbaar te stellen bleek politiek niet haalbaar.

Wat misbruik van voorwetenschap is, is niet zo moeilijk, vindt Doorenbos: “Handel in effecten op basis van informatie die slechts in kleine kring bekend is en die bij openbaarmaking invloed heeft op de koers.” Lastiger is aan te geven wat er zo erg aan is: “Het idee is dat het niet eerlijk is, dat iedereen gelijke kansen moet hebben. De winst met voorkennis van de ene partij is het verlies van de andere. Voorkennispraktijken kunnen leiden tot verlies van vertrouwen van beleggers in de markt en dat is een economisch probleem.”

In de jaren tachtig raakte ook Nederland daarvan doordrongen. In 1984 zwengelde toenmalig minister van Financiën Ruding de discussie over strafbaarstelling echter weer aan. De Amsterdamse beurs liep daarop vooruit en ontwikkelde de Modelcode. De wetgever volgde in 1989: misbruik van voorwetenschap is toen als delict opgenomen in het Wetboek van Strafrecht.

Justitie slaagde er echter niet meteen in om zaken voor de rechter te brengen en beklaagde zich erover moeilijk toegang te krijgen tot privé-rekeningen. “De wet persoonsregistratie die de privacy beschermt laat zich niet eenvoudig wegzetten”, zegt Doorenbos, “en dus meende justitie meer bevoegdheden nodig te hebben.” Die kreeg justitie in 1992 toen het delict werd ondergebracht bij de nieuwe effectenwetgeving. De effectenwet biedt de opsporingsautoriteiten onder meer de mogelijkheid om al bij vermoedens informatie te verkrijgen, terwijl de strafwet pas bevoegdheden geeft in het geval van een ernstige verdenking.

De zaak rondom het failliete automatiseringsconcern HCS was de eerste die Justitie voor de rechter bracht, maar zonder dat er een veroordeling volgde. De vrijspraak in deze zaak werd met name bewerkstelligd door Doorenbos, raadsman van de toenmalige verdachte Albada Jelgersma, maar deze is daarover achteraf helemaal niet uitgelaten. “Het was een Pyrrus-overwinning”, zegt hij, “want de tol die nu moet worden betaald is zwaar. De Hoge Raad heeft het kernbegrip geheimhouding in de HCS-zaak al flink verruimd. Bovendien wordt HCS aangegrepen om de bewijslast voor justitie te versoepelen onder het motto: we hebben een strafbepaling die te veel eisen stelt; dus wetgever, help ons Justitie en geef ons meer armslag.”

Doorenbos doelt op het wetsvoorstel dat nu bij de Raad van State ligt voor advies en dat op drie drie essentiële punten afwijkt van de huidige wet. Verdwenen is de bepaling dat de verdachte voordeel moet hebben van de transacties. De door de Hoge Raad al verruimde voorwaarde van geheimhouding van informatie is ook geschrapt. Maar het “het meest schokkende van het wetsvoorstel” is volgens Doorenbos het schrappen van de bepaling dat de belegger moet weten in welke richting de koers zich zal bewegen.

Het schokkende is volgens Doorenbos dat dit betekent dat je niet kunt handelen als je informatie hebt. “Het bewijs voor handel met voorkennis zal straks heel makkelijk te leveren zijn. Het zal dan aan de verdachte zijn om duidelijk te maken dat hij geen voorwetenschap had, een omkering van de bewijslast. Welnu, dat is praktisch niet aan te tonen.”