Mensen die er niet bijhoren

Klaus Siegel: De zoon van madame Butterfly. De Arbeiderspers, 243 blz. ƒ 36,90.

In het slotverhaal van zijn debuut, De zoon van madame Butterfly, laat Klaus Siegel (1934) een schrijver optreden. Hij is niet de eerste en zal vast ook niet de laatste zijn die op deze manier een soort waarschuwing afgeeft aan zijn lezers. Die waarschuwing moet wel ongeveer luiden: denk niet dat ik maar een argeloze verhalenverteller ben, - ik ben niet voor één gat te vangen.

Het is een zelfbewust en nuchter schrijverstype dat Siegel in zijn slotverhaal laat optreden. Hij is populair bij een breed publiek en hoeft zich, vrijgesteld als hij is, niets aan te trekken van de literaire kritiek. Hij hoeft dus niet te schrijven 'over het schrijfproces zelf' en beweert dat hij evenmin iets opheeft met zoiets als science fiction of het bovennatuurlijke. Wat volgt is dan een nogal wild verhaal over de vreemde gebeurtenissen die zich afspelen in de Brabantse plaats waar hij een lezing geeft. Aan de lezer wordt overgelaten om er stille krachten achter te vermoeden, of een bescheiden aardbeving; inbeelding of werkelijkheid. 'Ik denk er allemaal het mijne van', zo besluit de schrijver, en dat is ook meteen de slotregel van de bundel.

Tussen deze twee polen, een verhit verbeeldingsleven en de alledaagse realiteit, spelen ook de andere negen verhalen uit De zoon van madame Butterfly zich af. Bij het lezen ervan had ik steeds het wat onaangename gevoel dat ook daar een schrijver, een onzichtbare schrijver geamuseerd toekeek en er het zijne van dacht.

Hij had er beter aan gedaan wat sturender aanwezig te zijn in zijn verhalen. Nu moet de lezer maar uit zien te maken wat de grap, de zin of de bedoeling ervan mag wezen. Wat moeten we bijvoorbeeld met een malle, mogelijk zelfs zwakzinnige veerbootkapitein, die uit verzet tegen zijn bazen ten slotte met zijn veerboot opstijgt, om nooit meer terug te keren in het Amsterdamse IJ? Of met een onderzoeker die op een of ander Zuidamerikaans eiland liefdesbetrekkingen aanknoopt met een ruim honderdjarige, onsterfelijke maagd? Of met een lustzelfmoordenaar die, met een vuilniszak over zijn hoofd, jubelend zijn laatste en dus dodelijke orgasme beschrijft?

Siegels sympathie ligt bij de buitenbeentjes, bij mensen die er niet bij horen omdat ze lelijk zijn, of bejaard, of werkloos, een verkeerde kleur hebben of slachtoffer zijn van oorlogsgeweld. Maar hij kleedt zijn sympathie zo dubbelzinnig of halfslachtig in, dat het haast onmogelijk wordt om enig gevoel te ontwikkelen voor zijn zielepoten.

Overvolle etalages zijn het, de verhalen van Siegel, die zoveel te zien geven dat men al gauw niets meer ziet in die hele warwinkel. De enige uitzondering hierop vormt het min of meer geslaagde verhaal over een wegbezuinigde jurist, die in zijn machteloze woede een gevaar wordt voor zijn omgeving. Zijn wanhoop baant zich als het ware een weg door de woordenvloed van Siegel heen. Maar de overige personages is dat niet gegeven. Ze moeten het, zielig of niet, afleggen tegen de vele bokkesprongen van hun geestelijke vader.

Tegen zijn overladen beeldspraak, zijn slordigheden, zijn flauwe, quasi-wetenschappelijke intermezzo's, zijn omslachtigheid, zijn gezwollen taalgebruik en bovenal tegen zijn neiging tot leukdoenerij. Humor, moet hij hebben gedacht, er moet veel humor in. Alles in deze bundel is met een jolige saus overgoten, of het nu gaat over een zelfmoordenaar, een bejaarde die van doodslag wordt verdacht, of over een kampslachtoffer.

En toch sluit ik niet uit dat hij nog eens een mooi verhaal zou kunnen schrijven, als hij het simpeler weet te houden en zijn behoefte tot imponeren de kop indrukt. Hier en daar, in een enkel verhaal, in losse passages of zelfs zinnen, treft soms een andere, oprechtere toon. Dan lijkt hij ineens argeloos iets te willen vertellen en geen schrijver meer te spelen, maar er een te zijn.

    • Janet Luis