Levende dropjes

De afgelopen weken wemelde het in mijn tuin van de jonge kikkers en padden. 's Ochtends dartelen ze in het bedauwde gras en in de zoele schemering, als de weemoed toeslaat, spelen ze krijgertje onder de vele bosschages. Kittige en hupse kereltjes zijn het, de jonkies bedoel ik want als ze vingerlang zijn schrik je er soms van.

Als kleuter lijken ze echter op levende dropjes, ze zijn zo klein dat ze op de bladeren van een stevige plant kunnen zitten. Zoeven, zojuist, precieser: op 24 augustus 1996 om 8 uur 's morgens, sprong een jeugdige kikvors met een potsierlijke snoekduik van de Nicandra physalodes (zegelkruid). Regelmatig ging ik naar die nieuwe aanwinst kijken, uit zorg over haar welbevinden. Alleen domoren verplanten in de nazomer; in dit geval was sprake van overmacht. Deze eenjarige, 'niet mooie maar wel bijzondere plant', volgens groenboekenschrijver Klaas T. Noordhuis althans, stond te stralen tussen de suikerbieten van buurman-boer. Ik vind de plant bijzonder mooi, dus moest ze verhuizen voordat het oogsten begint. Ze zou zonder zaad te zetten weer in vergetelheid verdwijnen.

Als ze worden bedreigd kunnen kikkers hartverscheurend gillen. Het is maar goed dat planten dat niet kunnen, het wereldwijde gekrijs zou bloedstollend zijn. Meestal horen we kikkers en padden kwaken of knorren, mompelen of morren. In mijn territorium komen slechts twee soorten voor, de Heikikker (Rana arvalis) en de Gewone Pad (Bufo bufo). De grote van beide soorten eten van harte gaarne de kleintjes op. Een curieus gezicht: kikker met pootje van padje uit de bek. Volgens de overlevering eten ook revoluties hun eigen kinderen op; laat de r weg en kannibalisme wordt begrijpelijk. En krijgt het gedicht 'Overreden pad' van Chr.J. van Geel een onverwachte echo: “Dichter bij de aarde - de aarde zelf/ die op wil springen - leeft geen beest,/ uitspansel op poten”. Van Geel schreef geen gedichten over kikkers, wel een dozijn over padden. Dat is ongetwijfeld te danken aan het feit dat hij in Groet woonde, in de Noordhollandse duinen.

Vijf jaar geleden reed ik samen met de Britse schrijver John Berger in de Haute-Savoie over een stille, hevig slingerende weg tussen Mieussy en Anthon. Waar de weg een Alpenmeer passeert lag een tientallen meters lang tapijt van geplette padden; monter keuvelend hobbelden we er in zijn 2CV overheen. De volgende dag liep ik, vergezeld van een knots van een kater door de vele glaasjes gnôle, terug naar die tragische plek, koos een handvol burlesk gevormde en door de zon gedroogde exemplaren uit en nam die mee naar huis. Mij stond een prent voor ogen met als titel Groepsportret, bestaande uit kikkers en padden, hun gestolde resten uit linoleum gesneden. Eind vorig jaar was het eindelijk zover; de ingeklonken karkassen bleken onveranderd. Het drukken van de oplage van de prent gebeurde in devote stilte; het verging mij zoals Van Geel dichtte: “Ik weet niet wat/ tot hem te zeggen,/ noch wat wij in/ elkander zien.” Men zou menen dat in dit ultra korte gedicht sprake is van verliefdheid, sprakeloze bewondering of stagnatie in een liefdesverhouding, misschien verbittering van het benul? De titel van het versje biedt uitsluitsel: Pad.