Instituut moet meningen over politie bundelen

Met het aantreden van directeur D. van de Meeberg heeft het Nederlands Politie Instituut (NPI) zijn bezetting rond. De nieuwe organisatie wil belangenbehartiger van de zo geplaagde politie zijn.

UTRECHT, 6 SEPT. “We moeten af van het beeld dat afzonderlijke korpschefs bepalen wat hèt beleid bij de politie is. Als Nordholt een mening verkondigt, moet dat niet meer leiden tot de misvatting dat dit dé opvatting van dé Nederlandse politie is. Het moet straks duidelijk zijn dat ons instituut de politie als geheel wil vertegenwoordigen”, zegt E. d'Hondt, voorzitter van het beraad van korpsbeheerders. “Dan ontstaat op den duur vanzelf het idee: kennelijk heeft Nordholt weer een afwijkende opvatting.”

Samen met S. van Gend, voorzitter van het beraad van hoofdofficieren van justitie, en S. van Hulst, eerste man van de hoofdcommissarissen, heeft d'Hondt zich geïnstalleerd om het verhaal te vertellen van een nieuw orgaan dat de beeldvorming over de politie moet gaan bepalen: het Nederlands Politie Instituut (NPI) in Den Haag. Daarin verzamelen politiechefs, korpsbeheerders en hoofdofficieren van justitie hun deskundigheid op het terrein van de politie, zodat er voortaan één aanspreekpunt en belangenbehartiger is voor de politie.

De oprichting van het NPI is in Den Haag met argusogen aanschouwd. De drie voorzitters beklemtonen dat het NPI een “bezegeling” is van de verhoudingen die de Politiewet van 1994 vastlegde. Het beheer van de 25 regiokorpsen is daarin in handen gesteld van korpsbeheerders (burgemeesters) en hoofdofficieren van justitie terwijl politiechefs de dagelijkse leiding over korpsen voeren. “We gaan op een andere manier samenwerken”, zegt Van Gend. “Vroeger was het zo dat korpschefs, burgemeesters en het openbaar ministerie afzonderlijk standpunten innam. En dan ging je pas met elkaar praten in een poging de knelpunten op te lossen terwijl de discussie al op straat lag. Dat draaien wij om. We gaan nu proberen gemeenschappelijke standpunten in te nemen. Met behoud van alle nuances. Het hoeft geen eenheidsworst te worden.”

De vrees op de politiedepartementen van Justitie en Binnenlandse Zaken is evenwel dat met het NPI een almachtig lobbyorgaan is ontstaan dat de ruimte van de politiek om de politie te sturen drastisch beperkt. Want als de drie beraden in het NPI overeenstemming hebben bereikt, redeneert men, zal 'Den Haag' er een zware dobber aan hebben nog tegen dit standpunt in te gaan. “In de nieuwe Politiewet is gekozen voor centraal sturen op afstand en decentraal wat betreft de dagelijkse aansturing”, zegt d'Hondt. “Daar blijken de Tweede Kamer en de ministers voortdurend problemen mee te hebben. Maar de discussie over wie de baas van de politie is, is achterhaald. De vorming van het NPI is er het resultaat van.”

Toch blijft Den Haag zich intensief met de politie bemoeien. De enquête opsporingsmethoden onderstreepte dat nog eens - met alle negatieve beeldvorming van dien. “De enquête heeft daar zeer toe bijgedragen”, zegt Van Hulst. “Terwijl het, hoe belangrijk ook, ging om een segment van het werk. De Kamer heeft de bestaande situatie beschreven en heeft zich daarna gefixeerd op zwarte pieten. Op de inhoud is te weinig ingegaan. De politiek heeft zich niet afgevraagd wat voor doel we voor de komende vijf jaar moeten hebben. Dat is teleurstellend.”

d'Hondt: “Er heeft een uitvergroting plaats gehad. Als je de Kamer zèlf zou analyseren is het er waarschijnlijk net zo erg als bij de politie. Dat geldt trouwens ook voor de media.”

Ook onder druk van de Kamer leidt de afwikkeling van 'Van Traa' tot een 'caroussel' bij zowel de politie als het openbaar ministerie. Het parlement wil dat in ieder geval de verantwoordelijke functionarissen in Haarlem 'gestraft' worden. Omdat ontslag onmogelijk was, is gekozen voor overplaatsingen van de korpschef Straver (naar Hollands Midden) en hoofdofficier De Beaufort (waarschijnlijk Utrecht). “Er zitten opportunistische trekjes in deze oplossingen”, zegt Van Hulst. “Ik kijk niet vrolijk op de gang van zaken terug. Binnenlandse Zaken had met een zorgvuldigere voorbereiding een betere opslossing mogelijk kunnen maken. Straver móest weg en daar is nu het hele spel aan opgehangen. Een evenwichtig beleid voor management development bij de politie is hier absoluut niet mee geholpen”.

Intussen geldt dat de enquête niet leidt tot de wens die velen na afloop uitspraken: dat de trap van bovenaf zou worden schoongeveegd. Nadat Justitie eerst vaststelde dat de procureurs-generaal niets te verwijten valt, deed men dat onlangs ook voor De Beaufort. Zijn overstap naar Utrecht zou een promotie naar een grotere organisatie zijn, wat ook geldt voor de geplande overgang van Straver. “Een promotie is dat niet”, zegt Van Hulst. “Maar een degradatie evenmin. Ik benadruk dat Straver in onze kring nog altijd geldt als een van de meest vooraanstaande korpschefs. Als je ziet wat hij allemaal over zich heen heeft gekregen, dat gun je niemand”.

De caroussel heeft intussen één verrassing opgeleverd. In Rotterdam treedt volgende maand de oud-landmachtgeneraal J.W. Brinkman aan als nieuwe korpschef. Burgemeester Peper wilde per se iemand van buiten de politie. “Ik keer me niet tegen de persoon die naar verluidt een voortreffelijk collega is”, zegt Van Hulst. “Maar iemand van buiten direct laten instromen naar de functie van korpschef is geen goede zaak. De politie moet de poorten niet voor de buitenwereld sluiten. We doen heel goede ervaringen op met stafmensen van buiten. Maar een korpschef moet ook volgens Van Traa recherche-ervaring hebben”.

Het machtsvraagstuk blijft spelen. Want de uitstraling van eenheid die politie, openbaar ministerie en lokaal bestuur nu via het NPI kiezen, kan in conflict komen met verschillende belangen in het OM. Daar is onder procureur-generaal Docters van Leeuwen een centralisatie doorgevoerd die op gespannen voet staat met de vrijheid van de zittende hoofdofficieren. Zo bleek uit een uitgelekte notitie, enkele maanden geleden, dat Docters geporteerd is voor provinciale politie, terwijl de hoofdofficieren nadrukkelijk vasthouden aan het huidige bestel.

Van Gend is er voorzichtig over: “Het OM is een hiërarchische organisatie en daar hebben wij rekening mee te houden. Maar dit zijn lastige dingen. Er moet natuurlijk wel één OM-standpunt komen. Iets anders is wie namens het OM spreekt. Als het gaat over de beheersinvloed op de politie ben ik het aanspreekpunt. Gaat het over het beleid, dan moet je bij Docters zijn.”

d'Hondt maakt zich zorgen over de bemoeienissen van de PG's. “Er zijn drie partijen die de politie dagelijks aansturen. Niet voor niets vormen zij het bestuur van het NPI. Het college van PG's is daarin geen partij. Als de PG's zich er toch mee blijven bemoeien zullen we tegen Docters zeggen: het is leuk dat u het allemaal vindt, maar wij hebben het zo besproken en besloten. Als u vindt dat de hoofdofficieren niet meer kunnen spreken namens het OM, dan moet u het anders organiseren. Nu hebben de PG's geen positie voor ons. Dat moeten de PG's respecteren. Het is niet hun rol de uitvoering van de Politiewet te frustreren.”