In duizend woorden

De moderne mens is, zoals bekend, het spoor een beetje bijster. Of het nu gaat om de zin van het leven dan wel het zaaien van pootgoed, zonder handleiding raken we de weg kwijt. Maar omdat we dat weten - en we ons er oog in oog met onze voorvaderen een beetje voor schamen - willen we op reis. Zo ver mogelijk. En als dat niet kan, dan maar via een boek. Alsof we zo in de voetsporen van Barendsz en Tasman zouden kunnen treden.

Wie het aanbod van de Nederlandse non-fictie voor dit najaar in één oogopslag wil begrijpen, ontkomt niet aan de indruk dat het grote vluchten nog steeds niet voorbij is. De kwantiteit is schier eindeloos. En de kwaliteit is, getuige al die vet gedrukte opmerkingen in de folders zoals 'magistraal' en 'definitief', mogelijk nog onbereikbaarder. Het is vaak zo overdadig geformuleerd dat je er welhaast cynisch van zou worden.

Wat te doen? Onmiddellijk enthousiast naar de boekhandel hollen met een koffertje, zoals een Rus ten tijde van Brezjnev dat deed omdat je toen ook niet kon weten wat voor worst en vodka je op jouw weg zou tegenkomen? Toch maar besluiten eindelijk kluizenaar te worden, zodat je nooit meer op andere gedachten kunt worden gebracht? Of in lachen uitbarsten en het verder voor gezien houden?

Indachtig de affaire-Diekstra is het uiteraard heel aantrekkelijk om het laatste te doen. Maar dat zou te simpel zijn. De psycholoog uit Leiden staat namelijk voor veel meer dan alleen zijn eigen zaak. Hij is, tegen wil en dank, een subject in de cultuurkritiek geworden.

We hebben meer dan ooit tijd voor onszelf. En dat gevecht met het eigen 'ik' is, zoals iedereen inmiddels weet, vaak veel ingewikkelder dan de strijd tegen al die andere ego's. Zonder hulp van derden is die strijd uitzichtloos. Maar met boeken over 'lach-meditatie' (Schaterend naar het paradijs in je buik) wordt het allemaal al een stuk dragelijker. Voeg daar een instructiecursus paddestoelen-eten of zelf-ecologisch-gifmengen aan toe en er gloort weer licht aan het eind van de tunnel. Waarna een inleiding die 'alles' over de psychologische test onthult, de cirkel doet sluiten en je met deernis naar de man kunt kijken die zich al die jaren zo met de ander heeft geïdentificeerd dat hij nu wegens 'plagiaat' voor een commissie van zijn universiteit moet verschijnen.

Enigszins gekscherend door de berg ploegend, dringt zich vervolgens de vraag op wat de macro-economische consequenties zijn voor de koopkracht en de binnenhuis-architectuur van Nederland. Kunnen we het met nog geen drie procent groei per jaar allemaal wel aan? En zo ja, kunnen we die boeken dan wel opbergen in onze huis- en studeerkamers die merendeels conform de maatvoering van de diensten bouw- en woningtoezicht zijn ontworpen? Of is het boek tegenwoordig wat een krant al veel langer is: iets om op te pakken, hap-snap te lezen en vervolgens in de recycling-bak te deponeren?

Maar al deze vragen en generalisaties geven uiteindelijk geen pas, ze zijn hooguit een thema voor nadere studie. Want wie het aanbod beter bekijkt, krijgt juist trek.

De mooiste parels in het aanbod zijn alleen het diepst verborgen. Zoals bijvoorbeeld: een bundel van de historicus Blom, een nieuw boek van Lisette Lewin, de herdrukte oeuvre van Dijksterhuis over de geschiedenis van het natuurwetenschappelijk denken en een hele reeks belangrijke biografische studies (onder meer over Neêrlands bekendste historicus Huizinga, Henriëtte Roland Holst en Paul de Groot).

Wanneer je je niet laat afleiden door het geraas van de waterval, stuit je bovendien ineens ook op andere tendenties die een licht laten schijnen op de stand van zaken in Nederland. Allemaal cirkelen ze rond hét thema van vandaag: de moeizame driehoek van identiteit, moraal en vrijheid.

Om eerst even bij de krant zelf te blijven. Er verschijnen komende maanden maar liefst drie studies over dagbladen die alle op hun manier een culturele identiteit hadden. Behalve de lang verwachte geschiedenis van het naoorlogse Parool (ooit dé krant van Nederland maar nu in gevecht met zichzelf, de stad en haar uitgever) komen er boeken uit over de Volkskrant (wier opkomst maatschappelijk en chronologisch bijna spiegelt ten opzichte van Het Parool) en de courantier Sijthoff. Deze kleine hausse illustreert vermoedelijk dat de krant zich, temidden van de pc's en digitale netwerken, in een overgangsfase bevindt. In crisistijd is de geschiedenis immers bijna altijd een troost, de troost dat het uiteindelijk niet voor niets is geweest.

Het is dan ook niet toevallig dat het geschiedenisboek ook anderszins domineert. Het is waarschijnlijk evenmin een coïncidentie dat de meeste boeken niet meer de periode 1940-45 behelzen maar een veel breder spectrum: van Peter de Grote (het is 300 jaar geleden dat de Russische tsaar in Holland stage kwam lopen), via de prostitutie en Reinier Papings winter van 1993 tot het wederom hyperactuele thema van Nederland als 'immigratieland'.

De Tweede Wereldoorlog is, nu deze periode toe is aan een nieuwe vorm van historiseren, kennelijk geen aanknopingspunt meer om onze hedendaagse twijfels over goed en fout te ijken. Het lijkt erop dat de halve natie op zoek is naar nieuwe samenbindende tradities die op een andere manier moreel houvast bieden. Want waarom zou anders de wijsbegeerte zo rijk vertegenwoordigd zijn gebleven, met titels (Plato en platonisme in de Nederlandse literatuur, Utopieën van een onvermoeibaar mens) die stuk voor stuk doen vermoeden dat ze meer om hakken hebben dan de filosofie van de spreekwoordelijke kruidenier?

En waarom zou, omgekeerd, het politieke aanbod zo pover zijn? Een paar pamflettistische werkjes, een enkel verklarend boek en nog geen trits scenario's: dat is alles. Waar zijn de (semi-)politici die nog naar het grotere geheel zoeken?

Waar zijn de wetenschappers die de politiek oppoken? We weten het niet. Mogelijk zijn ze hun potentiële electoraat via 'focusgroepen' en 'representatieve steekproeven', aan het 'marketen' en denken ze: Van u is de toekomst, kome wat komt?