Hoe verder met de grote steden?

Niek de Boer: De Randstad bestaat niet; de onmacht tot grootstedelijk beleid. NAi-Uitgevers, 208 blz., ƒ 39,50

Na de publikatie van de Tweede Nota inzake de Ruimtelijke Ordening in 1968 kwam ter discussie te staan of Nederland moeite moest doen de grote steden in het westen van het land om te smeden tot een samenhangende wereldstad. Nederland miste een echte grote stad die kon meedoen met de wereldsteden zoals Londen en Parijs, met name in het geval van de topvoorzieningen en de toplocaties. Enkele jaren daarvoor had de Engelse geograaf-planoloog Peter Hall zijn boek over wereldsteden gepubliceerd, waarin hij ook de Randstad aanduidde. Hij vond de ruimtelijke structuur daarvan zelfs een voorbeeld voor andere wereldsteden: een veelkernige stedelijke structuur met een groene ruimte in het midden - later aangeduid met de term 'polynucleaire metropool'. Hoewel het begrip Randstad al in de jaren dertig door Plesman werd ingevoerd, begon het pas na 1970 een eigen leven te leiden als 'Leitbild' voor het nationale stedelijke beleid. Samen met het begrip Groene Hart werd het een onderdeel van de 'Nederlandse Planningdoctrine', zoals die uitvoerig door de Amsterdamse planoloog professor Faludi is bestudeerd en gedocumenteerd. In de Vierde Nota Extra (VINEX) zijn de Randstad en het Groene Hart duidelijk als sturende begrippen voor de nationale ruimtelijke ordening gekozen, zelfs boven de recent ingevoerde begrippen 'stedelijk knooppunt' en 'Centraal Nederlandse Stedenring' (de Randstadsteden plus Arnhem/Nijmegen en de vier grote Brabantse steden).

Recent verscheen een belangrijke publicatie van de stedebouwkundige Niek de Boer, met de uitdagende titel De Randstad bestaat niet, waarin het belangrijke sturende concept onderuit wordt gehaald, overigens naast rijke beschouwingen over het ontstaan van ons Nederlandse stedelijk patroon.

Volgens de auteur wordt de aandacht van het planningproces door het begrip Randstad afgeleid van de werkelijk relevante planningeenheden, te weten de grote steden met hun gewesten. Het gaat De Boer er vooral om aan te geven dat allereerst de steden met hun omringende gebieden de zorg van de planners en de politici verdienen. Die taak is al moeilijk genoeg zonder daarenboven nog met een pseudo-stad te moeten werken. De Randstad heeft geen enkel kenmerk van een stad: er is geen samenhang in ruimtelijk en economisch opzicht en zowel stedebouwkundig als cultureel zijn ze duidelijk verschillend van elkaar. De werkelijke opgave is de grote stadsgewesten zodanig tot ontwikkeling te brengen dat er goed gevormde en sterke functionele eenheden kunnen ontstaan. De Boer kijkt daarvoor met veel waardering naar steden zoals Kopenhagen en Stockholm. Die zijn in samenhang met hun gewesten zorgvuldig gepland, met zorg voor het landschap, het openbaar vervoer en de centrale functies. In Nederland moeten we geen Randstad nastreven, maar zorgvuldig ontwikkelde steden. Hij ziet vooral Amsterdam en Rotterdam, maar zeker ook Den Haag als kansrijk voor het opzetten van een zodanig stedelijk niveau dat er hoogwaardige voorzieningen en een evenwichtige ruimtelijke structuur mogelijk zijn. Volgens De Boer dient ook het Groene Hart niet als een heilige eenheid te worden beschouwd. Dat houdt volgens hem niet in dat het volgebouwd moet worden, maar wel dat de vormgeving mede ten dienste moet staan van de opbouw van de grote steden. Het Groene Hart moet deel worden van een zorgvuldige ontwikkeling der stadsgewesten, gekoppeld aan grote aandacht voor de natuur op die plekken die het waard zijn.

Ook de sociale en bestuurlijke betrokkenheid van de burgers zal er volgens De Boer op vooruit gaan, indien de grote stadsgewesten weer als een samenhangende, stedelijke eenheid worden gezien en opgezet. Zo stelt hij (p. 160): “Stedelijke samenleving is geen verbruikt begrip voor een achterhaalde sentimentaliteit. Het is wel degelijk van belang dat bewoners zich betrokken voelen bij wat er zich in hun stad en liefst ook in hun provincie afspeelt” en “Voor de grotere verbanden van stad, stadsgewest en regio zijn het de stadscentra met hun concentratie van stedelijke instellingen en monumenten met symboolwaarde die het referentiekader voor de stedelijke samenleving vormen. Het modale stelsel is per definitie centrumgericht en wel op verschillende niveaus”. Vooral de complementariteit van voorzieningen op elk schaalniveau alsook hun bereikbaarheid voor iedereen, ook degenen die geen auto bezitten of kunnen rijden, is volgens De Boer van eminent belang. De vorm en de schaal waarin steden tot ontwikkeling komen, behoort nog tot de weinige zaken die in ons land niet geheel aan de markt is overgelaten. De Boer geeft tal van aanwijzingen voor een verbetering van de huidige plannen, die veelal niet echt vanuit een grootstedelijke conceptie zijn ontwikkeld, maar eerder aansluiten op ad-hoc mogelijkheden tot grondverwerving. Het boek van De Boer is vooral een lezenswaardige oproep om toch vooral het stedelijke karakter van onze maatschappij niet te offeren aan pseudo-concepten, zoals Randstad en Groene Hart, maar ook niet aan eenzijdige economische belangen. Het is te hopen dat deze oproep veel gehoor zal vinden.

Het boek heeft een thema dat wellicht verder strekt dan de auteur heeft bedoeld. Immers, het huidige ruimtelijke beleid gaat ook niet uit van de Randstad als stad, maar het is niet duidelijk wat men er eigenlijk wel mee wil. Er zijn enerzijds plannen voor de verdere versterking van de 'mainports', anderzijds zijn er plannen voor een 'Randstadrail', terwijl de Flitstrein uit Brussel niet eens een halte krijgt in Den Haag en er om een paar minuten te winnen zeer veel onnodig geld wordt verspild. Alleen de distributiefuncties van de grote steden krijgen nationale aandacht terwijl allerlei culturele en economische activiteiten geen of weinig aandacht krijgen. Het wordt hoog tijd dat we van de eenzijdige aandacht voor vervoer, Groene Hart en Randstad afraken en meer aandacht krijgen voor de evenwichtige stedelijke ontwikkelingen die nu nog mogelijk zijn.