Het gewicht van een verre herinnering; Gesprek met Litouwse schilder Ricardas Vaitekunas

Vereerd en verwonderd dat hem dit mag overkomen, loopt de Litouwse kunstenaar Ricardas Vaitekunas over zijn eigen tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. “Schilderen gaat altijd over liefde,” vindt hij. “In een schilderij dient men de waarheid te spreken en de waarheid op het linnen is er voor altijd.”

Ricardas Vaitekunas. Tot 27/10 in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Geopend: dag. van 11-19. Na 1/10 tot 17 uur. Catalogus: ƒ 22,50. (Met dank aan Daiva Oomen-Stumbraite)

Hij is hier nog maar net gearriveerd. Reizen was er de afgelopen decennia nauwelijks bij. Een groepsreisje naar Moskou en zo, maar dat mag geen naam hebben. En nu ziet Ricardas Vaitekunas (1940) uit Litouwen ineens zijn schilderijen in een prominent westers museum hangen, het Stedelijk Museum in Amsterdam. Geen haar op zijn hoofd die daarvan had kunnen dromen. “Het is net of ik rondloop op mijn eigen, postume tentoonstelling”. Aan de glimlach die dan volgt, werken alle gezichtspieren mee.

Dankzij een tolk kunnen we met elkaar praten op de zolder van het Stedelijk. Alles aan de schilder is grijs; zijn haar, ogen, kostuum, sokken, overhemd. Hij lijkt op een ouderwetse ambtenaar, grauw geworden op een grimmig Sovjet-ministerie. Toch gaat hem niets zo zeer ter harte als kleur. Schilderkunst staat gelijk aan kleur, beweert hij stellig. Laat hem een paar vaderlandse doeken zien en afgaande op het palet zal hij ons zeggen uit welke streek ze afkomstig zijn. Hij herkent ze als dialecten.

Sinds de onafhankelijkheid van Litouwen in 1990 is Vaitekunas van onderwijzer hoogleraar geworden aan de academie in Vilnius. Ja, het is waar: voor elke aankomende kunstenaar is een beeldende opleiding een noodzakelijk kwaad. Men wordt namelijk als kunstenaar geboren, vindt de schilder. Toch is die studie “net zo onmisbaar als een rem in een auto”.

Hijzelf heeft les gekregen van Antanas Gudaitis (1904-1988). Een Litouwse dwarsligger, die in Parijs vooral door het werk van Paul Gauguin en Vincent van Gogh was gegrepen. Eenmaal weer thuis combineerde Gudaitis die invloeden met elementen uit de vaderlandse volkskunst. Het sociaal-realisme waar de opdringerige Sovjet-autoriteiten zo verzot op waren, zette niet veel later een punt achter die modernistische neigingen.

Vaitekunas zelf wist zich gelukkig te onttrekken aan die taferelen van volkse Sovjet-voorspoed. Glorieuze graanoogsten en onvermoeibare arbeidersregimenten waren niet aan hem besteed. Ook later tekende en schilderde hij voorstellingen waar geen eer mee te behalen viel; een rommelige gang, een dorpsgezicht, twee vrijende mensen. Zijn brede, ritmische penseelstreek doet in de verte nog een beetje aan Van Gogh denken, zoals een enkel doek ook even verwant lijkt aan het werk van Luc Tuymans. Zijn werkwijze vergelijkt hij graag met die van Cézanne: schilderen vanuit het detail naar het grote geheel, en alsmaar vice versa, net zo lang tot zijn doek af is. Afhankelijk van dat finale moment komt de verf schamel of pudding-dik op het linnen terecht.

Docent of niet, een eigen atelier is er niet bij. Vaitekunas werkt thuis, in de keuken. Jammer, triest ook, maar laten we het toch vooral over iets anders hebben. Over een museum als het Stedelijk komt hij woorden tekort. Dat hier in Amsterdam zomaar alle twintigste-eeuwse stijlen vertegenwoordigd zijn, dat zoveel mensen daar permanent kennis van kunnen nemen, en dat een museum met zo'n grote actieradius zorgdraagt voor een natuurlijke selectie van beeldende kwaliteit - voor Litouwse begrippen is het allemaal onvoorstelbaar.

In die Baltische staat van hem is dat liberalisme nog ver te zoeken. Veel kunst kan niet gezien worden. Er bestaat simpelweg geen museum voor moderne kunst. Een tentoonstelling komt en gaat weer, en tussendoor is er een lange tijd helemaal niets. Over leegstaande gebouwen mogen zich wèl meteen banken en bedrijven ontfermen, vertelt hij, maar voor de beeldende kunst wordt geen ruimte vrijgemaakt.

Volksverlakkers

Ook in zijn land krijgen 'de technocraten' het steeds meer voor het zeggen. Snelheid, computers, cynisme en schielijk geld verdienen om toch vooral van die westerse dingen te kunnen kopen. Dat type mensen voelt steeds minder wat kleur kan betekenen, ze zijn 'half blind', vindt de schilder. Helaas komen er alsmaar meer van die mensen bij en daarom loopt de schilderkunst gevaar, waarschuwt hij. En dan maakt hij zich ook nog zorgen om iets anders: de spirituele sektes en andere volksverlakkers waar zijn landgenoten houvast bij zoeken. Astrologen en waarzeggers bijvoorbeeld, die zich in hun aanhang kunnen meten met de rattenvanger van Hamelen.

In die post-communistische turbulentie van onnozele illusies en onstuimige hebzucht zal een blank schilderij als Delta van de Nemunas, inderdaad, al snel het onderspit delven. Het hangt in een van de kleine Stedelijk-kabinetten. De delta drijft in smeuïge ivoor-tinten, de dag is nog jong, lucht en land vloeien als lagen room stroperig in elkaar over. Alleen een vleugje baby-blauw in de witte verf vertelt ons dat er water in de buurt is en dat er een vogelverschrikker-achtig wezen langs de vloedlijn staat. Verder is het daar muisstil aan die delta, en als we er nu, op dit moment naar toe zouden gaan, wacht ons hopelijk nog steeds dat licht en die oorverdovende verlatenheid.

De mooiste herinneringen bewaart Vaitekunas aan een klooster in Pazaislis. Daar kreeg hij tenminste de ruimte en de rust om te werken. Het functioneerde in de jaren zeventig als psychiatrische inrichting. De razend populair geworden rooms-katholieke kerk heeft het inmiddels weer geconfisqueerd. Sommige ziekenzalen naast het atelier waren nog volop in gebruik. Kijk maar naar dat bovenaanzicht met die beddenrijen, bevlogen neergezet zonder enige penseel-hapering. Dat royale, crème-kleurige wit, dat vermengd werd tot grijzig roze en morsig groen, vertelt hoe akelig het oord geweest moet zijn. Een sporadische menselijke contour tussen de lakens heeft iets van een karbonade die op de aanrecht ligt te ontdooien. En daar schenk je toch meestal ook weinig aandacht aan.

Sinds 1994 is die mooie Derde ziekenzaal (1976) in bezit van het Stedelijk Museum. Museumdirecteur Rudi Fuchs ontdekte de maker en zijn werk bij toeval op een Baltische rondreis in het kader van een Fins schilderconcours. Hij kocht toen ook nog het portret van een trotse boom aan. De potdichte kruin lijkt gestort uit groen beton. Maar wie wat afstand neemt, kan er ook een gezicht in herkennen, een apeschedel of een zwevende grot, alsof de schilder zeggen wil; men ziet wat er is, maar er laat zich nog veel meer ontdekken.

Een begrafenis in de regen is een treurige gebeurtenis, vertelt Vaitekunas. Die regen lijkt er ook als een tranengordijn bij te horen. Maar neem nu een uitvaart in pril zonlicht, tijdens de lente, tussen de heuvels, zoals afgebeeld op dat schilderij in het Stedelijk. Net als al dat verse groen de kop opsteekt, komt de dood langs, want die trekt zich nergens iets van aan. Het is een tafereel, dat een gevoel van schrijnende vervreemding oproept en onderhuidse spanning. Daarover wil Vaitekunas dus met verf en zonder drama vertellen.

Mocht iemand de schilder trouwens naar zijn voorkeuren vragen, dan zou hij over zijn vroegste werk beginnen. Kinderen die huppelend spelen tussen het blauw en het groen; de dood is nog ver te zoeken. Zoals op sommige andere doeken, kent ook hier de ruimte nauwelijks grenzen. Er bestaat geen einder. Dat ligt niet aan het formaat of perspectief. De bijna monochrome kaalte, het overvloedige gebruik van die blanke verf, en de bescheiden thema's geven menig beeld het gewicht van een verre, maar blijvende herinnering. De essentie daarvan is toegespitst, de contouren en details zijn weggezonken. Daarom kan er van een tuinfeestje ook zo'n summier schilderij overblijven van vijf schimmen rondom een tafel en een enkele drankfles.

Behalve landschappen en andere buiten-taferelen, heeft Vaitekunas thuis nog een wekker en een paar gebedenboeken onder handen genomen. Dat eerste stilleven was blijkbaar zo stil dat de verf in kleur en textuur moest mousseren om het tot leven te wekken. Alles om de wekker heen vibreert in hortend en stotend opgebrachte verflikken, alsof de beige omgeving hyperventileert door dat mechanische lawaai. De gebedenboeken daarentegen, het stilleven dat er in het Stedelijk vlakbij hangt, houden zich eerbiedig koest. De stapelingen van rode, bruine en okeren verfbanen zou je met enige fantasie in de eeuw van Rembrandt kunnen plaatsen, een held van Vaitekunas.

“Schilderen gaat altijd over liefde”, zegt de schilder aan het eind van het gesprek. Wie waarachtig liefheeft kan niet liegen. Ook in een schilderij dient men de waarheid te spreken. En de waarheid die op het linnen komt te staan is voor altijd. Je kan natuurlijk ook in het echt verliefd worden en dan intens om iemand gaan geven. Maar zo'n gevoel houdt zelden onveranderlijk een leven lang stand. Daarom houdt Vaitekunas zo van de schilderkunst, want die blijft, belooft hij.

    • Marianne Vermeijden