Grillige verhalen van Tonnus Oosterhoff; Geen tekst kan de wereld zijn

Tonnus Oosterhoff: Kan niet vernietigd worden. Verhalen.

Uitg. De Bezige Bij, 138 blz. Prijs ƒ26,50

Tonnus Oosterhoff (1953) is een schrijver die er voor kiest tegen de stroom in te roeien. Terwijl er steeds meer vertellingen verschijnen, verhalen met een kop en een staart en vaak ook een plot, en er tegelijk een hausse is in ideeënromans, probeert hij in zijn boeken alles wat zweemt naar het verhalende en betogende te verstoren. Liever verbijsterende vergezichten dan geschiedenissen. In de vier boeken die hij tot nu toe heeft gepubliceerd, toont hij een zeldzame voorliefde voor instortende wereldbeelden, merkwaardige, onbeheersbare waanvoorstellingen en hevige gemoedsaandoeningen. De produkten van een schilder, die hij ook is, beeldend en expressief tot in de alinea of zelfs tot in de zin.

In zijn zojuist verschenen tweede verhalenbundel Kan niet vernietigd worden staat het zo: 'Ik moet maar onder ogen zien (now is as good a time as ever) dat ik dit verhaal (waarvan toch iedere zin gemeend is) martelend slecht vertel. Vol gaten en stoppen, getouwspring in de tijd. Ik moet mezelf erg haten als ik dit verhaal ben. Dan besta ik niet zoals ik wil. Maar is het wel mensenlot verhaal te zijn?'

Opvallend vaak vallen Oosterhoffs personages ten prooi aan grenzeloze verwarring. Die wordt dan beschreven in een stijl die even hoekig als stug is. Oosterhoff houdt van zinnen vol hobbels, en schrikt niet terug voor vreemde woordvolgordes, abrupte eindes, herhalingen, terzijdes of verkeerd gebruikte voorzetsels.

Dit is geen onmacht. Het is een keuze. Oosterhoff wil tot in zijn taal laten zien hoe de interpretatie van onze waarnemingen en de opslag ervan in ons geheugen verstoord raken. In zijn zinnen verbeeldt hij het onderbroken, fragmentarische denken dat in crisissituaties toe kan slaan.

Ook in Kan niet vernietigd worden komt Oosterhoff met scènes vol onthechting en ondergang. In het langste verhaal 'Een spookgeschiedenis' probeert een man tijdens een weekend in een vreemde stad vat te krijgen op zijn kindertijd, een vroegere verhouding en zijn huidige geestestoestand. Het begint er al mee dat het verhaal achterstevoren wordt verteld. Het oude schijnt door het nieuwe heen. Maar belangrijker is dat hij voortdurend het onmogelijke van zijn onderneming beseft. 'Helaas, natuurlijk: er zijn feiten. Walgelijke kleefdingen die met 'zoals' en 'maar' aan elkaar klitten en aan mij en me onbeweeglijk willen maken als in een graf. Of moet ik het anders zeggen, zodat het anders wordt?'

In zijn toon en compositie lijkt Oosterhoff in zijn laatste bundel nog altijd grilliger te worden. Bestond zijn eerdere bundel Vogelzaken nog uit een twintigtal ongeveer even lange verhalen, en was zijn roman over Van Houten nog een min of meer chronologisch verhaal over een schilder die niet verder kon, in Kan niet vernietigd worden waaiert het meteen alle kanten op. De locaties variëren van schrijnend alledaags tot sprookjesachtig en surreëel. En de lengte van de verhalen beweegt zich van ultra kort, een verhaal van niet meer dan anderhalve regel, tot zeer lang.

In een interview vorig jaar na de toekenning van de Multatuliprijs voor Het dikke hart zei Oosterhoff dat hij voor elk verhaal dat hij schrijft van te voren enkele spelregels bedenkt. De betekenis van het verhaal kan daaraan zo nodig ondergeschikt worden gemaakt. In het verhaal 'Hun vrienden en zijzelf' in de nieuwe bundel lijkt zo'n spelregel te zijn: beschrijf steeds in één alinea de personages die samen een verhaal zouden kunnen dragen. Het resultaat is een lijst van 21 personen, die niets anders met elkaar te maken lijken te hebben dan dat ze onder de zelfde titel voorkomen. Het verhaal zelf krijgen we niet te lezen. Oosterhoff laat het bij de 21 aanduidingen.

In 'Naar het oppervlak' worden de spelregels al meteen en met zoveel woorden aangegeven. De verteller begint met het voornemen uit te spreken alles op te noemen wat er op de camping waar hij verblijft aan zijn zintuigen verschijnt. Een aartslelijk plan, beseft hij en daarom worden de spelregels aangepast. 'De uitvoering (...) smoort al voor de slagboom in grondeloze verveling. Uitputtend opsommen strijdt met de logica, geen tekst kan de wereld zijn.'

Maar wat hij daarna doet, komt wel dicht bij zijn aanvankelijke plan - en de gevreesde verveling - in de buurt. Het vervolg bestaat voornamelijk uit beschrijvingen die zich tot de buitenkant beperken. Mensen lopen heen en weer. Er worden banale opmerkingen gemaakt. Kneuterige grapjes. De verteller geeft er wel enig commentaar op, maar het blijft over het algemeen griezelig saai. Een opsomming van wat er in de kampwinkel te zien is: BK-pannen, een in plastic gewikkelde wok, een getypte prijslijst en een poster met ijsjes.Ik kan niet zeggen dat dit nu de stukken zijn waar ik met de grootste gretigheid in doorlees. Het idee is hier aardiger geweest dan de uitwerking. Als je eenmaal weet waar Oosterhoff op uit is, duurt het te lang voor er echt wat te beleven is. Veel liever zijn me de paar echte drama's, die gelukkig ook in het boek voorkomen - al wordt het meest dramatische daar zorgvuldig buiten beeld gehouden. Zo begint het boek met een intrigerend kort verhaal over een familiedrama in een huis aan de overkant van de straat. Wat hier gebeurt, wordt nauwelijks gezegd. De verteller beleeft het drama in fragmenten, alleen voor zover hij er iets van ziet. De buurman komt dronken thuis, hij ontmoet de buurvrouw een keer met haar dochtertje in het bos, en door hun raam ziet hij vreemde niet goed te plaatsen scènes. Maar juist dat fragmentarische zorgt voor een grote spanning. Door het uitvergroten van details krijgt het verhaal plotseling zijn niet geringe kracht.

Dat gebeurt ook in het langere verhaal 'Lie Tze spreekt een schedel toe', het hoogtepunt uit de bundel. Hier vindt Oosterhoff precies het goede evenwicht tussen vertelling en experiment. Hij beschrijft hoe een tuinder die waarschijnlijk gefraudeerd heeft vroeg op een ochtend zijn paperassen in een koffer stopt en met koffer en al de zee in loopt. Het vervolg speelt zich afonder water en, naar we mogen aannemen, na de dood van de tuinder. Hij ontmoet een jeugdvriend die blijkt te zijn omgekomen bij de slag op de Javazee en zo vloeit hij steeds meer samen met de hem omringende zee, en de eeuwigheid: 'Een grote blindheid nam zee en zelfmoordenaar in haar handen. Op de tast kroop het restant wiens vindplaats een grote vraag werd over de zachte, oliehoudende vloer tot waar zich oprichtte een scheepskarkas. Daar tegenaan zo'n beetje hangen.'

Uit: Tonnus Oosterhoff, Kan niet vernietigd worden

Als er regen aankomt en het groen in de lucht zit is er iets dat alles binnenroept. Alle dingen keren naar zichzelf terug, hebben elkaar ineens niets meer te zeggen, onvergetelijk. De woekerstruik in de achterste helft van de tuin (ik ben slecht in plantenamen) is nu heel groen, ieder takje bekijkt zichzelf en de takjes vlakbij. De stijve goudsbloem probeert zichzelf te sluiten. Steeds witter wordt het pad van betontegels. Hoe komt men eigenlijk in de tuin? Door de keuken misschien? De ontbijtzaal ziet uit op de tuin, maar heeft alleen ramen.