Geëmancipeerde junks in Trainspotting; Met vampiertandjes kruipend over het plafond

Irvine Welsh: Trainspotting. Vert.Ton Heuvelmans. De Arbeiderspers, 326 blz. ƒ 34,90.

Geen saaier leven dan een junkie-leven. Ondanks de romantische agitprop van mediamieke drugs-goeroe's als Timothy Leary en Herman Brood, komt het er op neer dat je de hele dag bezig bent met maar één, tamelijk overzichtelijke, hobby. Scoren, afbinden, injecteren, en achterover leunen. Nog even napraten, en dan de cyclus opnieuw in gang zetten.

Geen saaiere gesprekken dan junkie-gesprekken. Eindeloos draait de conversatie om de kwaliteit van het spul, de juiste manier om het toe te dienen en de helse vraag wie er nu weer met welke deal is verneukt. Voor een buitenstaander is zoiets even inspirerend als staren naar een vissekom, of een reclame-discussie aanhoren tussen moeder en dochter over de vraag met welk waspoeder het spul het witst uit de trommel komt.

Geen slaapverwekkender leed dan junkie-leed. Na alle door hallucinogenen of amfetaminen aangewakkerde psychische stormen blijft angstig stilstaand water over. De neergang van de chronisch verslaafde wordt een stomvervelende strompeltocht door een particulier universum vol rushes, kicks en flashes. Allerminst een Odyssee door verre, onbekende landen, maar eerder een deprimerende grabbelronde langs andermans vuilnisbakken.

En toch: geen betere romanpersonages dan junkies. In de literatuur duiken zij sinds de jaren vijftig op als de nieuwe bohémiens, drop outs die een monomaan bestaan aan de onderkant verkiezen boven de rat race naar gezin en woonerf. Hun radicale teloorgang oefent kennelijk een onweerstaanbaar romantische aantrekkingskracht uit op een breed lezerspubliek. William Burroughs beschreef het junkie-bestaan nog voor de hippe incrowd, maar sindsdien kregen we de publieksvriendelijke dope-vertellingen van de Duitse Christiane F (Wir Kinder von Bahnhof Zoo) en, niet te vergeten, Yvonne Keuls (Het verrotte leven van Floortje Bloem). De junkieroman werd zo het literaire equivalent van de Amerikaanse talkshows waarin onwaarschijnlijk verknipte mensen hun ellendige hebben en houden op tafel gooien.

Nu is er Irvine Welsh, de Schotse auteur die een sensatie heeft gecreëerd met zijn in 1993 verschenen debuutroman Trainspottng, waarin hij de lotgevallen beschrijft van een groepje verloederde Schotse junkies in Edinburgh. In Engeland is het boek al twee jaar een monsterhit. Inmiddels is het verfilmd en bewerkt tot een toneelstuk. Welsh zelf heeft de supersterren-status bereikt, is omnipresent in de media en wordt in cultblaadjes alweer kritisch tegen het licht gehouden. Het blad Blah blah blah wist deze maand een vroegere collega van Welsh te citeren die 'nooit iets gemerkt' had van mogelijk drugsgebruik door de auteur zelf.

Waarom dat fabelachtige succes? Een simpele verklaring: Trainspotting is een fantastisch geschreven boek. Welsh' rauwe en hilarische stijl, de razendsnelle opeenvolging van morsige, wrede en absurde scènes, slepen de lezer in één ruk naar het slot. Dat geldt ook voor de uitstekende vertaling die deze week verscheen van Ton Heuvelmans: de junkies verwensen elkaar in volmaakt Algemeen Verslaafd Nederlands ('Zo zuiver als stuifsneeuw, deze shit', zegt hij'). Nergens bekruipt je het hinderlijke gevoel dat vlak onder de oppervlakte een superieur Engels origineel schuilgaat. De vertaling is ook meer dan welkom, want door de platte Schotse spreektaal en het onnavolgbare junkie-discours is de Engelse Trainspotting vrijwel onleesbaar voor niet-verslaafde niet-Britten.

Maar Trainspotting is ook een vernieuwend junkie-boek. De junkies van Christiane F. en Yvonne Keuls waren zielige, meelijwekkende gevallen, in de greep van een onbekend Monster. Zij deden een beroep op onze compassie, en wezen met een moraliserende vinger naar ons, cleane burgers: waarom heeft u ons verlaten? Deze junkies waren nieuwe gekruisigden, en hun appel aan de lezer was een kreet om dat felstbegeerde goedje in deze samenleving: hulp.

De junkies in Trainspotting zijn uit ander hout gesneden. Dit zijn trotse junkies. Renton, Sick Boy, en Begbie zijn working class kids die niet moeilijk doen over hun zelfzuchtige ondergang in de roes. Fun, tenslotte. Geen zwetende hoopjes ellende, maar zelfbewuste types die hun eigen leven kiezen. 'Just say no', alleen niet tegen drugs, maar tegen de sufkonten-samenleving die achter cd-spelers en hypotheken aanjaagt. Hoofdpersoon Mark Renton gedraagt zich als een volbloed junkie, heen en weer geslingerd tussen verslaving en afkicken, maar zijn analyse van zijn toestand en zijn monologue interieur zijn die van een propedeuse-student politieke wetenschappen. 'De samenleving bedenkt een ingewikkelde pseudo-logica om mensen in zich op te zuigen en te veranderen van wie het gedragspatroon zich buiten de door haar gebaande paden afspeelt', mijmert hij halverwege het boek. 'Nou, ik kies ervoor om niet voor het leven te kiezen. En als die klootzakken dat niet kunnen handlen dan is dat hun fuckin probleem.'

Met zulke geëmancipeerde junkies sluit Welsh aan bij de hedonistische drugscultuur die zich sinds de opkomst van de house-muziek eind jaren tachtig in Engeland, en ook in Nederland, als een olievlek heeft verspreid. Welsh wordt in rave-kringen gevierd als de eerste fictie-auteur die het levensgevoel van Partyland treffend heeft verwoord. In Nederland wordt Trainspotting al maandenlang aangeprezen in trendy bladen als het Amsterdamse Blvd, dat aflevering na aflevering aandacht besteedt aan film en boek. 'Eindelijk komt iemand op het idee om te laten zien dat druggebruik ook leuk kan zijn', jubelde het blad over de film.

Interessant in die niet-moraliserende interpretatie van Trainspotting is ook dat het in Welsh' roman om heroïne gaat - in de jaren zeventig nog typisch een drug voor losers, de uitgemergelde stations-slapers, maar hier de drug of choice voor ondernemende jongens die 'fuck you' durven zeggen tegen de samenleving. Vandaar dat de scène waarin Renton twee pillen uit een overvolle wc grabbelt, niet zozeer deprimerend is (zoals zo'n scène bij Christiane F. of Yvonne Keuls zou zijn) maar ook op de lachspieren werkt en zelfs aan een heimelijk bewondering appelleert: die durft! Dergelijke avonturen van Welsh' personages tekenen de revival van de individuele waaghals, na het poezelige groepsgevoel van de liefdesdrug XTC. Van XTC word je 'een babytje', maar de enige baby in Trainspotting gaat al vroeg in het boek dood en kruipt later met vampiertandjes over het plafond in een van Rentons horror-achtige afkickscènes.

Dat is allemaal origineel en eigentijds - maar is Trainspotting daarmee een onromantisch en niet-moraliserend boek? Ook het 'fuck you' van de zelfbewuste junkie is tenslotte een moraal. Non-conformistisch, autonoom en bereid tot het uiterste te gaan, zijn Welsh' junkies eerder Nietzscheaanse helden die wars zijn van maatschappelijke conventies - en zich daar niet schuldig over voelen - dan treurige nihilisten die in hun eigen ondergang zwelgen.

Veelzeggend is het slot van het boek. Hoofdpersoon Renton - verreweg de intelligentste van het stel en ongetwijfeld een wat verfrommeld zelfportret van Welsh forceert een breuk met zijn oude leven en vlucht naar Amsterdam. In meer dan één opzicht is dit de apotheose van het boek. Met een meesterzet maakt Renton zijn vrienden alsnog tot losers. Hij bevrijdt zichzelf - wellicht tot buiten het genre van de junkie-roman. 'Hij zal alleen slagen of alleen falen', laat Welsh hem denken. En: 'Is hij eigenlijk wel een junk?' Nee, hij is een individu, dat zijn lot in eigen handen neemt.

Daarmee krijgt dit boek een open, en dus happy, einde. Niks is nog verloren, alles is nog mogelijk. Ook deze wending is natuurlijk een moraal, veelvuldig gebruikt in B-films en boeken. Zie de Amerikaanse western (Gary Cooper in High Noon), of de teenager-films van de jaren vijftig (James Dean in Rebel without a Cause). De omslag van groepsdefaitisme naar individueel succes, van zelfvernietiging naar herontdekte vitaliteit maakt ook van de junkie Renton een morele held. Hij redt zijn nek, en stapt uit het genre. Zo eindigt dit boek zoals het begon: met een keuze. Eerst voor drugs, en tegen het leven. Dan voor de toekomst, met of zonder heroïne.

Geen wonder dat dit slot in de verfilming van het boek nog wat sterker wordt aangezet: daar rent de hoofdpersoon dronken van levenslust op de kijker af. Hij wil nu ook een cd-speler, en een koelkast, en een huis. Hij laat zelfs een cadeautje achter voor de sympathiekste van zijn oude vrienden. De filmer heeft het goed begrepen: eind goed, al goed.

Hoe kan het ook anders? Junkie-romans zijn per definitie moraliteiten, omdat ze nu eenmaal gaan over de keus tussen mislukking en succes. Junkies passen niet in een Griekse tragedie, waar die keus door de goden wordt bepaald. De junks van Irvine Welsh zijn geen slachtoffers van een noodlot, maar cowboys - en de good guy gaat nu eenmaal niet dood. Hij rijdt eenzaam weg naar de zonsondergang, op weg naar een nieuw leven.

    • Sjoerd de Jong