Elke dag zwaardvis

Mijn hele leven al heb ik een Don Juan willen zijn. Achtervolgd door vrouwen en mannen, voor mijn part ook kinderen en dieren. Niet om mijn geld of om mijn schitterende haiku's waarvoor ik drie prijzen ontving. Zo'n Don Juan wilde ik liever niet zijn. Maar om mijn bruine lokken, mijn goed gevormde wenkbrauwen, mijn mysterieuze blik, mijn snedige opmerkingen en mijn charmante gebaartjes. Ik hoopte dat men over mij zou spreken als de grote verleider.

Van jongs af aan is tegen mij gezegd dat ik in de wieg was gelegd om het leven te begrijpen, om het te doorgronden, om de tweede Einstein te worden en met een Nobelprijs naar huis te komen. Het liefst met twee. Noch wilde ik het leven begrijpen, noch wilde ik de tweede Einstein worden en ik wilde ook niet met een Nobelprijs naar huis komen. Ik wilde het leven door mijn aderen voelen stromen, van mijn kleinste teen tot het puntje van mijn neus. Ik had geen idee wat het was, leven, maar ik had er in boeken over gelezen, ik had er in de bioscoop naar gekeken en in kroegen had ik er over horen praten.

Toen ik het in praktijk probeerde te brengen, gebeurden er de raarste dingen.

Het is ironisch, misschien wel een Godsbewijs, dat juist dat leven mij zoveel angst aanjoeg dat ik ervoor op de vlucht ben geslagen.

Als bijna iedere zieke heb ik tegen mijn ziekte gevochten en ben er zelfs nog tegen blijven vechten toen ik allang genezen was. Daarom heb ik mij zelfs steeds weer gedwongen naar die plaatsen te gaan waarvan ik dacht dat daar het leven te vinden was en die mensen aan te spreken van wie ik hoopte dat ze mij zouden kunnen inwijden. In alles wat ik nog niet wist, en God weet dat dat veel was.

Dit is geen excuus noch een bekentenis. Ik heb niets te bekennen, ik ben hooguit een paar mensen een verklaring verschuldigd en die zal ik wel een brief schrijven. Excuses zouden ook niet op zijn plaats zijn. Een Don Juan begaat grote wandaden, ik heb alleen maar kleine wandaden begaan. Hele kleine wandaden, zo klein als luizen, misschien nog wel kleiner. Een anti-Don Juan, dat is wat ik ben.

Ik heb geen veroveringen om over op te scheppen, al mijn veroveringen laten zich samenvatten in een klein kasboek. Hoe het komt dat iemand die er zo uitziet als ik, oprecht is gaan geloven dat hij een Don Juan is, een verleider, een manipulator, een fatale man, weet ik niet. In 97% van de gevallen zie ik er vanaf vreemden aan te spreken, omdat ik vrees kwalijk uit mijn mond te ruiken.

Ik stel mij voor dat ik met alle geweld geprobeerd heb de vrees te overwinnen en dat er toen krachten loskwamen die ik niet meer onder controle had. Zodat ik ging denken dat het mijn taak was in dit leven van vrouw tot vrouw te fladderen, als een vlindertje.

Op dit moment lukt het me zelfs niet schaamte te voelen over mijn kleine wandaden. Alleen begrijpt u nu misschien iets beter waarom ik opstond, een beweging maakte die het midden hield tussen een buiging en een lichaamsoefening en mompelde, 'mag ik je iets te drinken aanbieden?' Toen de dame met haar rechterbeen in gips in Stanleys Bar tegen mijn tafeltje stootte.

Toen ze tegenover mij plaats nam zei ze, 'een groot glas bevroren aardbeien-marguerita, alsjeblieft.'

Ze droeg een rood mantelpakje en haar gipsen been legde ze op een stoel naast haar. Ze gaf me een hand en zei, 'ik ben Billy.' Ik moest drie keer mijn naam zeggen, maar ook bij de derde keer verstond ze hem niet. Daarna haalde ze een breinaald uit haar tasje en begon die onder het gips te duwen. Zo zaten we een tijd zwijgend tegenover elkaar. Haar eerste woorden waren, 'ik heb mijn gips in dezelfde kleur willen verven als mijn haar.'

'Dat is leuk,' zei ik.

De meeste mensen die in Stanleys Bar komen zijn van mening dat het in dit leven om liefde, geld en paarden gaat. Ze zijn op zoek naar drie elementen, of ze hebben ze in grote hoeveelheden voorradig. De eigenaar van vier renpaarden, Thomas J. Skiffington, komt er bijna iedere avond. Men beweert dat hij met vrouwen neukt zonder ze naar hun naam te vragen.

'Kan jij nu even van onderen?' zei Billy, 'daar kan ik niet bij.' Ze gaf me de breinaald en wees op haar voet.

'Ik ben daar niet zo goed in,' zei ik.

'Dit kan iedereen,' zei Billy.

Ik moest op een andere stoel gaan zitten, zodat ik bij haar voet kon. Voorzichtig duwde ik de breinaald onder het gips en bewoog haar heen en weer. Billy knikte me bemoedigend toe. Andere mensen keken naar ons. Ik had nu geen keus meer en bleef de breinaald heen en weer bewegen alsof ik een machine was.

'Wil je me een plezier doen?' vroeg Billy.

Ik knikte, maar hield niet op met mijn werkzaamheden.

'Ik moet straks naar een feest, maar heb geen zin alleen te gaan, en ik kan moeilijk een van die ouwe zakken meenemen.' Ze wees om zich heen.

Ik knikte voor de tweede keer. Nog altijd bewoog ik de breinaald heen en weer, alleen nu ietsje sneller.

'Zachtjes,' riep ze. 'Zachtjes. Straks stoot je door het gips heen.'

Ik excuseerde me.

'Je hebt alleen wel een das nodig en een jasje.'

Ze keek me met priemende oogjes aan.

'Oh ja?' zei ik. 'Ik woon hier om de hoek.'

'Dat weet ik al,' zei Billy.

Wordt vervolgd

    • Arnon Grunberg