Een kosthuis lijkt al gauw op thuis

Frans Pointl: De hospita's. Nijgh & Van Ditmar, 189 blz. ƒ 29,90.

Wat ze ook zegt, haar toon zegt dat haar onrecht is gedaan. Ze zucht. Ze klaagt over lawaai in huis en damesbezoek en dat er geen fatsoen meer is. Ze schudt het hoofd over de prijzen die maar stijgen, gas en licht, vergeet de koffie niet. Ze past de suiker af per ons, ze kookt andijvie drie kwartier en ze serveert de soep met haren van een soort die ook wel wordt gevonden op de vale kraag van haar peignoir.

De hospita. Het valt niet mee om in verhalen of romans een ander personage te bedenken dat zo vastgenageld zit aan een cliché. Een oorlogsbodem van een wijf is het, verjaard en roestig, ook weer in de nieuwe bundel van Frans Pointl. Vijf verhalen lang, op een totaal van veertien, tekent hij de vrouwen bij wie hij als jongen in de jaren vijftig in de kost geweest is. Eerst 'de hospita met de vergroeiïng', in zijn eigen woorden, daarna de 'eenmalige', de 'chique' en de 'Duitse' hospita, en tot besluit de 'tragische' - wat ook meteen een aardige typering is voor het verschijnsel als geheel. Al heeft hij de matrones vrij intiem gekend, hij blijft ze zien als een soort archetype, lijkt het wel. Vijf vrouwen, één wezen.

Hij voegt aan het bekende beeld alleen nog wel iets toe. Wanneer hij bij zijn eerste huisbazin Charlotte komt, een stevig uitgevleesde schommel met enorme borsten en opmerkelijk tweekleurig haar, klaarblijkelijk geverfd en uitgegroeid, besluit hij om zich 'niet meer' te laten koeioneren - zoals vroeger, door zijn moeder. Ziet hij daarna op een nacht hoe Charlotte spiernaakt in de keuken staat, dan denkt hij als vanzelf ook even aan een andere naakte vrouw - zijn moeder, vroeger. En gaat hij met Charlotte naar de dokter, dan kijkt hij niet op van de vraag of ze zijn moeder is. Hij knikt van ja.

Daarmee wordt zijn kostgangersbestaan één lange echo van zijn kindertijd, het thema dat al sinds de eerste zin van zijn debuut De kip die over de soep vloog de harde kern van Pointls werk is. Overal, voor hem, is moeder - moeder met haar ondoorgrondelijke schrikbewind, haar strengheid en afstandelijkheid, haar eis door hem 'mevrouw' genoemd te worden, haar herhaalde dreigement met zelfmoord en haar onvermijdelijke foto-album, waar ze eindeloos in zat te bladeren, op zoek naar de familie die vergast was in de oorlog. Het thuis dat hij kent is onpersoonlijk en onheilspellend als een kosthuis, dus een kosthuis lijkt al gauw op thuis.

Toch maakt de held in deze bundel wel een zekere ontwikkeling door. Vooral de onbeteugelbare smetvrees van zijn moeder, die in alle heftigheid op hem is overgegaan, krijgt gaandeweg een nieuwe kant. Hij gruwt van muizen en van vuil bestek en bovenal van seksueel verkeer, een vrouw, haar huid, haar geur, maar juist die smetten van de wereld blijken hem ten slotte aan te trekken. Niet alleen leert hij te leven met de haren in zijn soep, hij gaat ook anders kijken naar de vrouw waaruit die haren vallen. Vies is lekker. Om kort te gaan, ze windt hem op.

Dat leidt tot scènes van een openhartigheid waar je van staat te kijken, in dit vroeger toch wat geblokkeerde werk. Meteen al bij Charlotte krijgt de jonge Pointl een riante blik onder de rokken, die hij ons niet wil onthouden. 'Uit haar behaarde schaamlippen steken twee verkreukelde plooien', determineert hij zorgvuldig, 'die aan de uiteinden bruinig zijn verkleurd, ze lijken wel met elkaar verkleefd. Met twee duimen trek ik ze open waardoor dieper, in rozerood vlees gebed, twee openingen zichtbaar worden, of zijn het er drie, het ziet er onoverzichtelijk uit'.

Het is een scène die je stevig bij de les houdt, dat moet gezegd, maar ik weet niet of dat hier nu wel zo'n voordeel is. Wat Pointl in zijn eerdere verhalen impliciet en dubbelzinnig liet, die onuitspreekbare verlangens, wordt hier bij de naam genoemd. Wat vroeger was verbonden met zijn jeugd, zijn moeder en de oorlog, heel dat weefsel van problemen dat zijn leven heeft bepaald, moet hier op eigen benen staan. Als anekdote mag de scène sterk zijn, schilderachtig en een tikkeltje choquant, je houdt er achteraf niet veel aan over. Er staat wat er staat, tussen de regels blijft het leeg.

Dat die leegte in De hospita's nogal eens op de loer ligt, heeft misschien te maken met het toch wat ongewone van Pointls schrijverschap. Waar veel van zijn collega's jong beginnen en pas na een boek of twee, drie op de kern van hun gedachtenwereld stuiten, daar was hij als late roeping al klaar toen hij begon. Het onderwerp, de toon, de vorm, in zijn debuut De kip die over de soep vloog klopte meteen al. Maar als autobiografisch schrijver had hij daarmee ook meteen zijn kruit verschoten, ben ik bang. Het mooiste was verteld, wat overbleef waren de mindere en dunnere verhalen. Echo's van zijn thema's, niet de thema's zelf.

Die nagalm klinkt elke bundel zwakker, als er niet iets moois en nieuws gebeurt, en De hospita's geeft daar een paar beschamende voorbeelden van. Na de verhalen over de vijf huisbazinnen, die vooral als tijdsbeeld van de late jaren vijftig nog wel aardig zijn, springt Pointl over op de jaren negentig en op een nieuwe, derde versie van zijn moeder. Als gewoonlijk is ze is middelbaar en dominerend en gebettet ins Fett, maar deze keer in de rol van minnares. En deze keer helaas volmaakt oninteressant. Ze vrijt. Ze ruziet. Nieuw alleen is dat ze hem gelukkig maakt, voor het eerst in zijn leven. Met zijn Mary, laat hij weten, leeft hij in een 'hemel op aarde'. Alles aan haar windt hem op, de seks is 'steeds weer sensationeel', lichamelijk is hij tot 'heerlijk uitputtens toe' bevredigd. 'Ik ben in evenwicht, in harmonie met mijn bestaan.'

Met Pointl zelf is alles dus nog goed gekomen. Maar hoe moet het met zijn werk?