De vrouwen van Ovidius

M.L.Stapleton. Harmful Eloquence. Michigan University Press, 175 blz., ƒ90,60 Ovidius. Amores. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door J. Nagelkerken. Ambo. 153 blz, ƒ 44,50

De argeloze bezoeker van de Amsterdam Arena ziet het onmiddellijk: er is meer dan alleen van stadion gewisseld. In lang vervlogen tijden werd De Meer nog bezocht door de arbeiders, de lagere middenstand, de Joodse aristocratie, een enkele intellueel en, heel af en toe, een vrouw, meestal met sjaal, muts en parafernalia, maar zonder gebit, een Mutter Courage in de oorlog van Rinus Michels. Men kwam voor het voetbal, nietwaar? Nu lijken niet alleen alle bevolkingslagen, maar ook beide geslachten evenredig vertegenwoordigd, broederlijk verzameld in het gapen naar straaljagers, Sky-boxen en populaire artiesten, terwijl op de achtergrond Ajax zich vreedzaam van de mat laat spelen.

Zoals zo vaak, biedt de bloeitijd van het Romeinse principaat een fraaie parallel voor de sombere kanten van onze welvaartsstaat. De analogie dringt zich bijvoorbeeld op in de Amores van Ovidius, die nu voor het eerst sinds 1678 eindelijk weer eens zijn vertaald.

De spelen in het antieke Rome zijn, net als de sport bij ons, de vervanging van oorlog en de collectieve drug tegen sociale onrust. Ze staan onder toezicht van de overheid die vooral het traditioneel-Romeinse en het religieuze element benadrukt wil zien. Maar patriottisme en netjes Romein-zijn is niets voor de schenenschopper Ovidius. Ovidius is het type dat vertelt dat hij naar het voetballen (in zijn geval de paardenraces in het Circus Maximus) gaat om een vrouw te versieren. Dat heeft iets flauws. Hij doorbreekt daarmee de afspraak van die tienduizenden anderen, die hetzelfde doen maar er niet over praten. Het heeft ook iets subversiefs, want spelen zijn een gewichtig onderdeel van het openbare leven in het Rome van Ovidius' keizer Augustus die toen net wetten had uigevaardigd tegen echtscheiding, ontrouw en andere perversies.

Als versierder is Ovidius in zijn Amores om te lachen, maar ook om te huilen. Als zijn anonieme slachtoffer tracht te ontkomen door langzaam van hem weg te schuiven, biedt hij haar bijvoorbeeld zijn ongewenste bescherming aan tegen de vermeende intimiteiten van andere stadion-bezoekers. “Zeg, achterbuurman, houd je knieën in aljeblieft, en prik haar niet in 'r rug! (..) Maar, je jurk hangt in het stof, pak 'm op, of nee, kijk hier heb ik 'm al; Gohhh, wat een jaloers jurkje ben jij, dat je zulke prachtige benen bedekte”. En even later begint hij ongevraagd commentaar op de wedstrijd te geven en onstaat een hilarische parodie op het bekende fenomeen van de leek die, verzeild bij experts, niet door heeft dat zijn stompzinnige commentaar slechts ergernis wekt.

Die 'leek' is Ovidius zelf. Het gezelschap kenners is het meisje, dat naar de wedstrijd zit te kijken en door wier oren de lezer naar de monoloog van dichter luistert. Ovidius' techniek is virtuoos. De lezer ziet de goedkope, haast komische en irritante Italiaanse versierder. En voelt zich als zijn object: tegelijkertijd geërgerd en gevleid, razend en geamuseerd.

De subtiliteit van Ovidius is voor een vertaler niet makkelijk te treffen. De poging van John Nagelkerken om Amores te vertalen, is alleen al daarom prijzenswaardig. Zij het dat ik, als ik in het stadion een gesprekje met een wildvreemde dame zou willen aanknopen, toch niet zou beginnen met “ik volg hier niet als liefhebber de races van de volbloeds” (zoals hij in zijn vertaling doet) maar zou proberen een wat alledaagsere toon te treffen. Maar die wat stijve, ouderwetse, toon is het enige bezwaar. De jambes lopen goed, de interpretatie van het Latijn is smetteloos, de inleiding en noten beknopt, betrouwbaar en nuttig.

Dat Amores nu weer in vertaling beschikbaar is, is ook om een andere reden prettig. De tekst is namelijk van kardinaal belang voor de ontwikkeling van de West-Europese poëzie, zoals Michael Stapleton terecht stelt in zijn studie Harmful eloquence.

Wie die invloed wil begrijpen, moet aan ten minste één ding denken: de status van de partner. De Duitse latinist Paul Brandt stelde dat al in 1911 in zijn commentaar op de Amores vast. “Wie zich zet tot de bestudering van de Amores, dient de ten onzent gebruikelijke en voor de meesten ook vanzelfsprekende opvatting over de hoge adel van het idee vrouw grondig uit de weg te ruimen”.

Men hoede zich dus voor het anachronisme bij het lezen van deze gedichten. Want de manier waarop vrouwen door de dichter worden behandeld, is niet altijd 'politically correct'. Het meest schokkend voor moderne oren is waarschijnlijk Ovidius' reactie op een abortus van Corinna (de schuilnaam voor de vriendin in de meeste Amores). Hij is boos dat zij hem van een kind berooft (als ie tenminste van mij is) terwijl zij zelf met de dood worstelt. Instructief is ook het impotentie-gedicht. Maar als de 'steunpilaar van het onderlichaam' van de dichter, ondanks verfijnde liefkozingen van het meisje roerloos blijft liggen, onsteekt zij in woede. Ze beschuldigt hem ervan bij een ander vandaan te komen, maar schaamt zich tegelijkertijd toch zo voor haar eigen personeel dat ze voor de show naar buiten gaat om zich te wassen. De hele scène ademt een luchtigheid uit, die wijst op een semi-professioneel contact tussen man en vrouw. Inderdaad waren de 'meisjes' van de elegische dichters meestal hetaeren (gezelschapsdames met cultuur én seks). In een verhouding met zo'n hetaere staat 'ontzag' en 'respect' natuurlijk niet centraal. 'Ontzag' en 'respect' voor de vrouw zijn een erfenis van de middeleeuwse troubadour-poëzie. De dienstbaarheid die onze (groot)ouders nog de hoed voor een vrouw deed afnemen en dames voor deed gaan, komt uiteindelijk uit Lancelot en Guinevere. In de oudheid werkte het anders.

Wie dit beseft, kan een interessante studie maken van de invloed van de Amores' op latere liefdespoëzie. Het is verbazend dat dat niet al eerder is gedaan, zelfs niet in de eminente studie Shakespeare and Ovid, van Jonathan Bate uit 1993. Want de verschillende stemmen en stemmingen van Dante's Vita Nuova, Petrarca's Rime, of Shakespeare's Sonnets vinden hun oorsprong in de Amores. Het is dan ook de verdienste van Michael Stapleton dat hij heeft gezien wat voor potentie een vergelijking tussen sonnetten-cyclussen en de Amores kan hebben.

Maar wat hij er vervolgens van maakt, is enigszins bedroevend. Dat komt niet alleen omdat er in het boek vertaal-, en verwijsfouten staan. Het is ook niet dat het in een onverteerbaar jargon is geschreven dat zinnen oplevert als “the poststructuralist notion of the arbitrary and indeterminate nature of language informs my analysis of the persona's sophistical and self-subverting nature”. Het is de zelfgenoegzame toon van de 'political correctness'. Zo klaagt Stapleton voortdurend dat Ovidius' poëtische 'ik' zo misogyn is. Deze onbegrepen-Ovidius vergelijkt Stapleton vervolgens ook nog eens met een reeks doorwerkingen. De laat-antieke bejaarde en hoogstvermakelijke diplomaat Maximianus Etruscus (550 na Chr.) heeft in zijn ogen wel oog voor de vrouwelijke waardigheid. Dante en Petrarca bannen als Christenen en ook onder invloed van de Hoofse Liefde de misogynie met wisselend succes uit. Maar bij Shakespeare zijn we volgens Stapleton uiteindelijk toch weer terug bij Ovidius' gewetenloze promiscuïteit en misogynie.

Stapleton richt zijn aandacht zodoende voortdurend op de morele behandeling van het object van liefde en niet op de minnaars zelf. Hoewel het juist de minnaars in de latere, door Ovidius beïnvloede, poëzie, zijn die het West-Europese 'gevoelsleven' ontdekken dat wij nu zo gewoon vinden dat we denken dat het er altijd geweest is. Wat een prachtige vergelijking zou je op die manier kunnen maken tussen de door impotentie gefrustreerde penetratiedrang van Ovidius en het schuldgevoel van Maximianus in een vergelijkbare situatie, een Maximianus die leeft nadat er zich door de opkomst van een kuisheidscultus in de late oudheid een revolutie in denken en doen aangaande seksualiteit heeft afgespeeld. Wat een mooie verklaring kun je in de Amores vinden voor het optreden van de schermo, de dekmantel-vriendin die Dante er in de Vita Nuovo op na houdt om zijn liefde voor Beatrice te verbergen. Wat een fraai precedent voor de paring van sonnetten, die thematisch verwant zijn, kun je niet in de Amores tegenkomen als je wil meedoen aan de nog altijd brandende polemiek over de historiciteit en biografische waarde van Shakespeare's Sonnets. En welk een instructief contrast openbaart zich niet tussen de getourmenteerde zelfkweller uit de sonnetten van Shakespeare en de opgeruimde, oppervlakkige, hoerenloper uit de Amores?

Haast niets hiervan bij Stapleton. Soms zet hij aan tot een goed antwoord, maar altijd verprutst hij het door het moralisme van de gender-studies. Zo gaat een briljant idee teloor.