De Franse staat als hoeder der Duitsers

Jean-Pierre Chevènement, France-Allemagne. Parlons franc. Plon, ƒ 49,20

Moeten we bang zijn voor Duitsland? Het socialistische parlementslid Jean-Pierre Chevènement, meervoudig ex-minister, zegt te beseffen dat deze vraag in Frankrijk ongepast wordt gevonden. Twijfel over de duurzaamheid van de Frans-Duitse samenwerking mag alleen op fluistertoon worden uitgesproken, al weet iedereen dat de aarzelingen wijdverbreid zijn. Sinds de val van de Berlijnse Muur wordt in Frankrijk argwanend gekeken naar het gegroeide gewicht en de toegenomen bewegingsvrijheid die de regering in Bonn lijken te veroordelen tot de Europese leidersrol waarop Frankrijk traditioneel aanspraak maakt. De regering in Bonn probeert de ongerustheid over haar macht sinds de eenwording te bezweren met de hardnekkige ontkenning dat er iets is veranderd. Duitse belangen worden zoveel mogelijk gepresenteerd als Europese belangen en voortdurend wordt beklemtoond dat Duitsland zal opgaan in een post-nationale Europese Unie.

Met die laatste prognose rekent Chevènement overtuigend af. De nationale staat is volgens hem allerminst ten dode opgeschreven en blijft voorlopig het belangrijkste kader voor politieke besluitvorming, sociale bescherming en rechtsgeving. Alleen de natie kan veiligheid verschaffen, niet alleen intern, maar ook extern: zij blijft daarom bovendien de belangrijkste speler op het internationaal-politieke krachtenveld.

Chevènement onderstreept dat, juist in een periode waarin markten worden gemondialiseerd, de informatietechnologie door alle grenzen heenbreekt en de sociale misère oprukt, er een grote behoefte blijft bestaan aan een anker dat houvast geeft. Alleen de nationale identiteit beantwoordt aan een verlangen naar vereenzelviging waaraan Europa niet kan voldoen. 'Identiteit' is een begrip waarvan de inhoud vaag, maar de politieke betekenis groot is. Het wortelt in gemeenschappelijke ervaringen die een gevoel van saamhorigheid verschaffen dat Europa niet biedt. Duitsland, aldus Chevènement, kan niet blijven wegkruipen achter de Europese Unie, maar moet zich rekenschap geven van zijn identiteit. Om de richting te bepalen van haar buitenlandse politiek kan geen enkele natie volstaan met een behartiging van vaak met elkaar strijdige belangen. Er is altijd behoefte aan een politiek-morele oriëntatie, die aansluit bij het nationale bewustzijn. De Amerikanen gedragen zich doorgaans als de apostelen van de free enterprise en de Britten koesteren hun eeuwenoude institutions. De Fransen beschouwen zichzelf van oudsher als de vaandeldragers van les droits de l'homme en eisen als zodanig de toonaangevende rol op die ze in het verleden lange tijd in Europa speelden.

De vraag of we bang moeten zijn voor de Duitsers wordt door Chevènement negatief beantwoord omdat Duitsland, geconfronteerd met de opdracht zich te bezinnen op zijn identiteit, kwetsbaar is. De herinneringen aan het agressieve imperialisme van vorige Duitse eenheidsstaten maken deze natie onzeker en bang voor zichzelf. Die gevoelens vergroten de politieke afhankelijkheid van het belangrijkste buurland, dat deze eeuw tweemaal het slachtoffer was van Duitse agressie. De gegroeide macht van Duitsland is daarom volgens Chevènement voor de Fransen een probleem, maar biedt hen tegelijkertijd politieke kansen.

Frankrijk kan volgens Chevènement in de verhouding met Duitsland de rol van koersbepalende partner spelen indien het zich wilskrachtig en zelfbewust toont. Uit een oogpunt van belangen ziet hij voor een samenwerking tussen Fransen en Duitsers een grote toekomst weggelegd. Om voor hun centraal gelegen en machtiger geworden natie een stabiele plaats in Europa te kunnen vinden, hebben de Duitsers Frankrijk nodig. Omgekeerd is een goede verstandhouding met Bonn voor de regering in Parijs het enige middel om een vooraanstaande rol op het wereldtoneel te kunnen spelen.

Chevènement beklemtoont echter dat complementaire belangen een noodzakelijke maar nog geen voldoende voorwaarde zijn voor een vruchtbare samenwerking. Die vraagt ook om een intensieve publieke discussie waarin men rekenschap aflegt van het eigen verleden en de geschiedenis van de onderlinge verhouding. Een gecoördineerde Europese leidersrol is onmogelijk indien men wegvlucht in een 'Europa' zonder geheugen en kan alleen gestalte krijgen via een 'dialoog der identiteiten', die niet de bedoeling heeft oude demonen wakker te roepen, maar waarin essentiële verschillen in nationale identiteit openhartig moeten worden besproken. Chevènement is bijvoorbeeld van mening dat het op historische gronden gekoesterde en in de Duitse grondwet vastgelegde afstammingsbeginsel (Volkszugehörigkeit), dat het relatief heel moeilijk maakt voor immigranten om een volwaardig staatsburger te worden, niet is te verzoenen met de Franse opvatting over een op politieke rechten berustende collectieve identiteit. Wat betekenen deze bespiegelingen over het belang van het nationale bewustzijn voor de toekomst van de Europese samenwerking? Het zal duidelijk zijn dat Chevènement alleen perspectief ziet voor een Europa dat stoelt op de historisch gegroeide legitimiteit van nationale staten. De op stapel staande Europese Monetaire Unie acht hij dan ook een onzalige onderneming. Dit project sluit naar zijn mening aan bij de Duitse fixatie op financieel-economische ontwikkelingen die eerder tot uitdrukking kwam in het Wirtschaftswunder van de Bondsrepubliek en de monetaire integratie met de DDR, die gestalte gaf aan de Duitse eenwording.

Hij lijkt te zijn vergeten dat Mitterrand in december 1989, toen Chevènement onder deze Franse president diende als minister van defensie, op de Europese top in Straatsburg - met de Duitse eenwording in het verschiet - het plan lanceerde voor een snelle monetaire integratie, met de bedoeling Duitsland te binden aan een overkoepelende Europese structuur. Pas na langdurig aarzelen ging de regering in Bonn akkoord met de twee jaar later in het verdrag van Maastricht aangekondigde oprichting van de EMU. Het geheugenverlies van Chevènement lijkt verband te houden met het oude Franse dilemma dat begin jaren '50 funest werd voor de plannen een Europese Defensie Gemeenschap op te richten: ook toen wilde Frankrijk de Duitsers inkapselen in een gemeenschappelijk structuur, maar zodra die gestalte dreigde te krijgen, overheerste de vrees van de Fransen om binnen deze nieuwe organisatie door de Duitsers overheerst te worden.

Volgens Chevènement zijn de strenge voorwaarden, die op aandrang van Duitsland aan het EMU-lidmaatschap zijn verbonden, het product van een traditioneel-Duitse angst voor inflatie. De strikte eisen tot beheersing van de overheidsfinanciën beperken in hoge mate de mogelijkheden van nationale overheden om volgens het recept van Keynes met stimulerende maatregelen de werkloosheid te bestrijden. Bovendien dwingt het systeem van vaste wisselkoersen, dat het fundament is van de monetaire integratie, tot een kunstmatig hoge rente, die de inflatie afremt maar op de werkgelegenheid een nadelige uitwerking heeft.

Chevènement wijst op het reële gevaar dat dit, als een monetair dictaat ervaren project, in Frankrijk de werking krijgt van een politieke boemerang. De politiek van de Franse regering tot een beperking van de sociale uitgaven leidde eind 1995 al tot grootscheepse protesten en demonstraties. Hij ziet in dit straatrumoer een aankondiging van wat nog komen gaat, ook omdat de EMU indruist tegen een nationaal bewustzijn waarin voor de staat een grote taak is weggelegd. Traditioneel is de band tussen natie en staat in Frankrijk heel sterk, de overheid heeft de Franse natie voor een belangrijk deel gevormd als gemeenschap van burgers. Deze ontwikkeling staat in sterk contrast met de Duitse ervaringen: van oudsher wordt de natie in Duitsland gedefinieerd als een etnisch-homogene volksgemeenschap, vaak georganiseerd in aparte staatjes of, zoals momenteel, in een los federatief verband. Een inperking van de overheidsmacht door de EMU zal volgens Chevènement in Frankrijk des te moeilijker worden geaccepteerd omdat deze maatregel niet alleen sociale nadelen oplevert, maar bovendien een democratische legitimering ontbeert. In een kwestie die de nationale soevereiniteit beperkt, is het electoraat niet vooraf geconsulteerd. Dit verzuim, dat een belediging is voor de politieke rechten van de burger, wordt in Frankrijk hoog opgenomen. Dezelfde fout is gemaakt bij het verdrag van Maastricht, dat tijdens het in september 1992 gehouden referendum ternauwernood de instemming van een meerderheid kreeg. Het gevaar is reëel dat de EMU nu achteraf direct of indirect, bijvoorbeeld bij de parlementsverkiezingen van 1998 in zowel Duitsland als Frankrijk, zal worden afgewezen. Wat is het alternatief voor de monetaire integratie? Zo overtuigend als Chevènements analyse is van de nationale identiteit als politieke factor en van de weerstanden die de EMU in Frankrijk wekt, zo pover is zijn antwoord op deze vraag. Zijn verzet tegen het Europa van een geïntegreerde markt en een gemeenschappelijke munt leidt tot een op zichzelf verstandig pleidooi voor een intensieve samenwerking van Fransen en Duitsers op de twee politieke hoofdproblemen van dit moment: de grote werkloosheid en het ontbreken van een gemeenschappelijke veiligheidspolitiek. Een van de schadelijke erfenissen die de Duitse geschiedenis heeft opgeleverd, aldus Chevènement, is dat elk groots plan wordt gezien als de opstap naar een dictatoriaal bewind. Hij meent dat een wilskrachtig Frankrijk met gedurfde initiatieven dat trauma kan helpen opheffen.

Met zijn radicale voorstellen toont hij zich echter de gevangene van obsessies die ook het verloop van zijn politieke loopbaan markeerden: de drang om door middel van staatsingrijpen het economisch leven te beheersen en een diepe afkeer van de Verenigde Staten. Chevènement (de leider van de radicale vleugel in de Parti Socialiste) trad in 1983 af als minister van industrie uit protest tegen het besluit van Mitterrand om, na twee jaar van experimenteren om met het kapitalisme te breken, van koers te veranderen en zo een financiële catastrofe te voorkomen. En in 1991 nam hij ten tweede male ontslag - ditmaal als minister van defensie - nadat de Franse president had besloten de VS te steunen in hun militaire strafexpeditie tegen Irak.

Ondanks deze twee ervaringen houdt Chevènement vol. Met zijn pleidooi voor een gecoördineerde campagne tegen de werkloosheid haalt hij het Keynesiaanse trekpaard weer van stal. Het is echter de vraag of dit recept, waarvoor de schrijver van Parlons franc de steun hoopt te krijgen van de Duitse sociaal-democratie, in de huidige omstandigheden nog effectief kan zijn. Het beslag dat de overheid op de kapitaalmarkt legt om de lasten te financieren, die zijn opgebouwd gedurende een lange periode van excessieve sociale uitgaven, zou met de door Chevènement bepleite versoepeling van de EMU-eisen nog groter worden. Het economisch vertrouwen zal in dat geval verder worden aangetast.

Chevènement wekt bovendien de indruk dat overheidsinterventie voor hem veel meer betekent dan een praktisch middel om de werkloosheid te bestrijden. Met dit ingrijpen, dat naar zijn oordeel ook tot protectionistische maatregelen moet leiden, wil hij ook een ideologisch tegenwicht bieden aan de door Amerika opgelegde economie van het gedirigeerde marktkapitalisme, waarvan Duitsland - bij gebrek aan oriëntatie - de Europese filiaalhouder is geworden. Zijn anti-Amerikanisme klinkt nog sterker door in het voorstel voor een gemeenschappelijke Frans-Duitse veiligheidspolitiek. Hij erkent dat de EU-leden in het Joegoslavische conflict compleet hebben gefaald en dat een interventie van de VS nodig was om een eind te maken aan de voor Europa beschamende moordpartijen. Hij verbindt echter geen conclusies aan dit indringende politieke feit en bestempelt de NAVO als een instrument van Amerikaanse onderdrukking. Hij verwijt Duitsland dat het grote betekenis blijft toekennen aan het Atlantisch bondgenootschap en onvoldoende reageert op het aanbod van Frankrijk om de force de frappe te Europeaniseren.

Zijn overtuiging dat de Fransen de functie zouden kunnen overnemen die de Amerikanen vervullen voor de Duitse veiligheid, is echter gespeend van werkelijkheidszin. Duitsland mag Frankrijk dan nodig hebben in het kader van de Europese samenwerking, het heeft Washington evenzeer, zo niet nog meer nodig binnen het bredere kader waarin de Duitsers na de eenwording moeten opereren. In de verhouding tot Moskou, die voor Duitsland essentieel is in verband met de stabiliteit in Midden- en Oost-Europa, heeft de regering in Bonn behoefte aan een Amerikaanse rugdekking die Frankrijk door een gebrek aan gewicht niet kan overnemen. Die handicap is niet te compenseren met een door Chevènement bepleite versterking van de Franse wilskracht, die waarschijnlijk zou neerkomen op een aanscherping van de toch al aanwezige nationale zelfoverschatting. De voorstellen van deze politicus maken onbedoeld duidelijk dat de EMU, ondanks bezwaren en risico's, zo'n slecht project nog niet is. Het biedt niet onmiddellijk voordelen in de bestrijding van de werkloosheid en draagt evenmin direct bij aan een intensievere samenwerking in de buitenlandse en veiligheidspolitiek. Maar anderzijds zou het door Chevènement gewenste afstel van de monetaire ingratie, gevolgd door een overstap naar Keynesiaanse en protectionistische maatregelen, op langere termijn de economische groei ongunstig beïnvloeden. Bovendien zou de toch al broze cohesie in de EU nog verder worden aangetast als gevolg van onderlinge verwijten over de mislukking van een monetaire onderneming waarin inmiddels veel politieke energie is geïnvesteerd.

De kans op een akkoord over de toelating van de Middeneuropese naties tot de EU wordt in dat geval kleiner. Duitsland zal gedwongen worden tot een Alleingang in de samenwerking met zijn oostelijke buurstaten die in Parijs alleen maar de verdenking kan versterken dat de Duitsers wederom in de ban raken van imperiale ambities. Het pleidooi van Chevènement is daarom ongewild een recept voor de ontmanteling van de integratie die tot nu toe in Europa beslag heeft gekregen.

Toch zou het van kortzichtigheid getuigen France-Allemagne terzijde te schuiven als het excentrieke werk van een politicus die de gevangene is van nationale eigenwaan en nostalgie naar een mislukt ideologisch experiment. Het door anti-Amerikanisme gevoede verlangen naar een Franse voorhoederol en de afkeer van een door markt en munt bepaalde Europese samenwerking krijgen in de extreme uitvoering van Chevènement vaak het karakter van politieke dwangvoorstellingen. In een minder geprononceerde versie geven deze twee impulsen echter uitdrukking aan een nationaal bewustzijn dat diep verankerd is in de Franse politieke traditie. Het radicalisme van Chevènement is de speerpunt van een breed ondersteunde en zeker niet alleen door links gedeelde overtuiging, waarin étatisme, afkeer van Amerikaanse invloed en de drang naar een positie op de eerste rang met elkaar zijn versmolten. Zijn boek leert waarom de toekomst van de EU niet alleen maar een kwestie van belangen is en laat zich lezen als de geëngageerde uitstalling van een nationale geestesgesteldheid waarmee vooral de Duitsers, maar ook de andere Europese partners nog vaak zullen worden geconfronteerd.

    • Ronald Havenaar