De biotoop der moderne lettteren

Frans Ruiter en Wilbert Smulders: Literatuur en moderniteit in Nederland, 1840-1990, De Arbeiderspers, 425 blz. ƒ 59,-

Wat hebben God, Marx en Knuvelder met elkaar gemeen? In elk geval één ding: ze zijn alle drie dood. Misschien beleeft God een korte wederopstanding tijdens de aanstaande Boekenweek, over Marx daarentegen verschijnen enkel nog boeken waarin de grafaarde vaster wordt aangestampt. En Knuvelder? Bij elke literatuurgeschiedenis die uitkomt, herleeft op z'n minst even de hoop dat een 'nieuwe Knuvelder' zal zijn opgestaan.

Het is er tot nu toe niet van gekomen. Ton Anbeek publiceerde in 1990 een Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1885-1985, waarin hij uitdrukkelijk van Knuvelder afweek, niet alleen door zich in de tijd te beperken maar ook door de Vlaamse letteren te negeren en zich te concentreren op de literaire normveranderingen. Het meest in de buurt kwam nog het lijvige Nederlandse literatuur, een geschiedenis uit 1994, maar dat bleek een bonte lappendeken te zijn, door talrijke handen samengesteld zonder al te veel onderlinge coherentie.

Frans Ruiter en Wilbert Smulders noemen Knuvelder wel in hun deze week verschenen Literatuur en moderniteit in Nederland, 1840-1990, meer dan eens zelfs, maar slechts als katholiek ideoloog uit de jaren twintig en dertig, niet als de auteur van het Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. De titel komt in hun bibliografie niet eens voor.

Dat is een onnadrukkelijk manier om aan te geven dat zo'n literatuurgeschiedenis, een eenmansbedrijf met alomvattende pretentie, niet meer tot de mogelijkheden behoort. Met de namen van de schrijvers en dichters die niet in hun boek voorkomen, zou dan ook moeiteloos de rest van deze pagina gevuld kunnen worden. Terecht vragen de beide neerlandici zich af of hun boek wel een 'literatuurgeschiedenis' mag heten, zij 't niet vanwege de vele ontbrekende namen.

Hun twijfel komt op, omdat zij zozeer de nadruk hebben gelegd op de maatschappelijke en politieke 'context'. Zij beschrijven, zoals ze het zelf noemen, de 'biotoop' waaraan de moderne literatuur haar leven dankt. Los daarvan zou de literatuurgeschiedenis immers al gauw verworden tot “een curieuze opeenvolging van vreemde aberraties en uitgesponnen malligheden”.

Deze zin heb ik twee keer moeten lezen, voordat ik kon geloven wat er stond. Want wat wordt met die 'aberraties' en 'malligheden' anders bedoeld dan datgene wat literatuur tot literatuur maakt? Dat wil zeggen: vorm, stijl, taalgebruik, ritme, metaforen, poëticale principes, etc. Bijna alles wat lezers weet te verleiden en te raken, te boeien en te amuseren, komt in Literatuur en moderniteit in Nederland, 1840-1990 niet of nauwelijks aan bod. Wat overblijft zijn de ideeën en ideologieën, waarvan de tekst niet veel meer dan een getrouwe spiegel blijkt te zijn.

Contradicties

In de titel had de volgorde daarom beter kunnen worden omgedraaid. Bij de moderniteit, en pas in tweede instantie bij de literatuur, ligt het zwaartepunt van de aandacht. Smulders en Ruiter hebben vooral een ideeënhistorische en cultuursociologische studie geschreven. Wie allergisch is voor een dergelijke aanpak, kan hun boek beter ongelezen laten om zichzelf een teleurstelling te besparen. Wie niet terugdeinst voor enige academische koudbloedigheid, zal echter veel tegenkomen dat de moeite waard is, al blijft de afwezigheid van het specifiek literaire (bij goede literatuur toch altijd iets méér dan de som der historische determinanten) een pijnlijk gemis.

Wat met 'moderniteit' wordt bedoeld, kan nauwelijks aanleiding geven tot misverstand. Het begrip omvat de vele veranderingen, van industrialisatie tot secularisering en van democratisering tot massificatie, die de Europese samenlevingen in de afgelopen twee eeuwen een geheel nieuw aanschijn hebben gegeven. Smulders en Ruiter willen laten zien - in een reeks capita selecta - hoe deze moderniteit is verweven met de ontwikkeling van de moderne literatuur.

Dat het niet om een simpel lineair proces gaat, blijkt welhaast op elke bladzijde. Overal duiken contradicties en paradoxen op, terwijl de reacties op de modernisering bijna steeds worden getekend door een hevige ambivalentie. Het is vooral de scherpe aandacht voor deze vaak verwarrende nuances die hun boek zo interessant maakt. De analyse ontleent er zelfs een zekere dramatische spanning aan, want ook in de odyssee van literatuur en moderniteit wordt het eindpunt niet gemakkelijk bereikt.

Toch lijkt het allemaal zo simpel te beginnen, met het liberale zelfvertrouwen van de burgerlijke beschaving in de vroege negentiende eeuw. Alle tegenstellingen (gevolg van de nog bestaande religieuze bindingen) zouden weldra worden overwonnen, dankzij de morele pedagogie van de literatuur. In het verschiet lag een vrije cultuur van en voor redelijke burgers - een ideaal dat tegenwoordig nog altijd wordt bepleit door iemand als Rudy Kousbroek.

Dat het ideaal nog altijd bepleit kàn worden, verraadt dat het nooit volledig is gerealiseerd. In het liberalisme schuilt een paradox, zoals Smulders en Ruiter betogen, die het succes in de weg heeft gestaan. De emancipatie die de liberalen hebben mogelijk gemaakt, is immers niet het liberalisme ten goede gekomen, maar hun confessionele en socialistische concurrenten. De liberale droom van één redelijke cultuur moest wijken voor de 'apartheidscultuur' van de verzuiling, terwijl zich al gauw - in bioscoop en dancing - ook een commerciële massacultuur aandiende.

Maar dat is niet het enige. Binnen de burgerlijke cultuur ontstond eveneens een breuk, toen de Tachtigers, voorafgegaan door dissidente eenlingen als Multatuli en Van Gogh, hun stem verhieven - tegen het burgerdom en voor de op een goddelijk voetstuk geplaatste kunst. Met de Tachtigers kwam de romantiek Nederland binnen, die elders in Europa al veel eerder tot verwoede meningsverschillen over de plaats van de kunst had geleid.

Zeer boeiend is het hoofdstuk over het 'socialismedebat' (1890-1892) dat in De nieuwe gids werd uitgevochten tussen Van der Goes, Van Deyssel, Kloos en Van Eeden. Socialisme of estheticisme of misschien toch liever de moraal - onbeslist bleef waar de dichter zijn eerste loyaliteit moest zoeken, maar veel nieuwe argumenten pro of contra het literaire engagement zijn sindsdien niet bedacht. Voor Smulders en Ruiter biedt het debat een mooie gelegenheid om te laten zien hoe moderne en antimoderne motieven door elkaar heen konden lopen, resulterend in de ambivalentie die zij voor zoveel moderne literatuur kenmerkend achten.

Ook in het 'synthetisme' van Verwey, Van Suchtelen en Van Eyck met hun hang naar een nieuw, hoger gemeenschapsideaal vinden zij die ambivalentie terug, evenals bij de cultuurkritiek na de Eerste Wereldoorlog (Huizinga), bij Marsman en bij de moderne katholieke schrijvers van De gemeenschap. De laatsten moesten onophoudelijk laveren tussen hun moderne artistieke voorkeuren en het traditionele gedachtengoed, dat binnen de RK-zuil werd benut als fundament voor een overigens niet minder moderne massabeweging.

Postmodernisme

De literatuur van De gemeenschap wordt tegenwoordig niet meer gelezen. Anton van Duinkerken, Pieter van der Meer de Walcheren, Gerard en Henri Bruning - het zijn dode namen geworden, geassocieerd met een bijna archaïsch verleden. Het aardige van dit boek is dat daarin het moderne karakter van hun worsteling met de moderniteit zo goed duidelijk wordt, al zal dat niet voldoende zijn om hen opnieuw de canon binnen te loodsen. Voor Ter Braak is die inspanning vooralsnog niet nodig, te meer daar Smulders en Ruiter - zij 't niet als eersten - in zijn ongeloof in 'hogere doelen' en in zijn pragmatisch 'schipperen' een voorafschaduwing menen te bespeuren van het postmoderne verdwijnen van de 'grote verhalen'.

Het meest nieuwsgierig maakt uiteraard de behandeling van het recente verleden. De steun van de secundaire literatuur is hier het minst solide, de visie die wordt ontwikkeld het meest onthullend en dus riskant. Smulders en Ruiter, die over de afgelopen vijfentwintig jaar de slagschaduw laten vallen van het omstreden postmodernisme, stellen wat dit betreft niet teleur. Al in hun eerste hoofdstuk zetten zij zich af tegen de even sombere als voorspelbare cultuurkritiek van George Steiner (die bij hen de zegeningen van de virtual reality nog moet ontdekken); ook ten opzichte van het postmodernisme lenen zij de 'waarde-neutrale' blik van de sociale wetenschappen.

Maar zodra het heden in zicht komt, acht iedereen zich deskundig, dus helpen zal die afstandelijkheid hen niet. Dat zij in het voorbereidende hoofdstuk over de jaren vijftig vooral de invloed van het personalisme benadrukken en die van het existentialisme verwaarlozen, hoewel dat veel meer zijn stempel op de literatuur heeft gedrukt, valt nog door de vingers te zien. Anders ligt het bij het hoofdstuk over de jaren zestig en daarna, dat de bij voorbaat uitdagende titel heeft meegekregen: 'De grabbelton van de literaire popart'.

De postmoderne cultuur staat bij hen in het teken van een vrijwel grenzeloze nivellering, een oppermachtig worden van het 'midden', waarin alle traditionele onderscheidingen (tussen hoog en laag, maar ook tussen burgerlijk en antiburgerlijk) hun geldigheid hebben verloren. Gedragen door de verzorgingsstaat, is uit de tegencultuur van de jaren zestig een consumptie-moraal ontstaan, die Smulders en Ruiter niet ongeestig typeren als: 'Men deed zich bij wijze van spreken niet eens een servet voor, maar ging zitten en viel aan'.

Nivellering

Voor de literatuur heeft dat ingrijpende consequenties gehad. Niet alleen verliest zij haar eerste plaats in de culturele rangorde (aan de popmuziek, vinden Smulders en Ruiter), ook valt zij zelf aan nivellering ten prooi. Met iets van malicieus genoegen worden de schuldigen aangewezen, zoals de van iedere zwaarwichtige pretentie afkerige dichters van Gard Sivik en Barbarber, de tegenwoordig gesmade zeventigers (die in hun manifest opriepen tot 'geile' literatuur voor 'geile lezers') en het nog altijd populaire columnisme. Zelfs de serieuze critici van Merlyn blijken in dit gelid te passen: met hun nadruk op de ambachtelijkheid van het vak zouden zij de nivellering van de literaire kritiek hebben bevorderd.

Smulders en Ruiter gooien wel erg veel op één grote hoop. Onder de noemer van Jacq Vogelaars credo 'terugschrijven' (maar dan ontdaan van 'zijn intellectuele en literair-technische lading') menen zij bovendien overal dezelfde thematiek te kunnen ontwaren. Van de kleine realisten van het 'jeugdsentiment' uit de jaren zeventig tot A.F.Th. van der Heijden, Frans Kellendonk en Maarten 't Hart blijkt iedereen te hebben geschreven over het passeren van de 'drempel' tussen verzuiling en ontzuiling. Daarbij krijgt Ton Anbeek een veeg uit de pan, omdat hij in de verwerking van dit 'grote culturele drama van het Nederland uit de tweede helft van de twintigste eeuw' niet het door hem verlangde 'straatrumoer' heeft herkend.

Voor dat laatste is iets te zeggen. Minder overtuigend lijkt mij de suggestie dat nivellering ook het laatste woord zou moeten zijn. Opvallend is de welhaast moedwillige eenzijdigheid, waarmee het zogenaamde Revisor-proza tot slechts een vorm van literair snobisme wordt gereduceerd. En is camp (voorbeeld: de late Reve) nu echt nog de enige weg om je als schrijver van de rest te onderscheiden? Hier wreekt zich het feit dat Smulders en Ruiter zo weinig, om niet te zeggen geen oog hebben voor het specifiek literaire van de literatuur, voor de 'intellectuele en literair-technische lading' die zij bij Vogelaar (en eigenlijk bij iedereen) zo achteloos ter zijde schuiven.

Als er ergens een onderscheid te maken valt dat ertoe doet, dan is het dáár, zou ik zeggen. Vreemd genoeg zien de beide auteurs, zoals zij in het eerste hoofdstuk meedelen, in de toegenomen 'esthetische sensibiliteit' de belangrijkste reden om de postmoderne popcultuur niet met pessimisme te bejegenen. Waarom geven zij zelf zo weinig blijk van die 'sensibiliteit'?

Voor hen biedt de 'permanente dynamiek' van de postmoderne letteren de aanblik van een 'subliem schouwspel', schrijven zij aan het eind van hun boek. Subliem slaat (met een verwijzing naar Lyotard) op een 'zich openstellen voor nog ongearticuleerde mogelijkheden die de toekomst biedt, zonder ze al direct in welomschreven idealen te willen vastleggen'. Maar Smulders en Ruiter zijn zozeer bevangen door het 'quasi-hegeliaanse' patroon van hun eigen geschiedverhaal, dat de aangeprezen openheid al bij het heden te wensen overlaat.

Als motor van hun verhaal, dat compleet met een heus schema wordt verteld, fungeert de voortdurend wisselende ideologische reactie op de modernisering. Aangezien het allemaal uitmondt in een postmodern 'einde van alle ideologieën', valt er daarna niets meer te vertellen en dan is het geen wonder als het 'subliem schouwspel' toch vooral blijkt te bestaan uit een collectie koopwaar op de schappen van het 'welverzorgde literaire warenhuis'.

Om iets anders te zien zou je bereid moeten zijn, desnoods ten koste van de 'waarde-neutrale' distantie, in de literatuur óók aandachtig te letten op dat wat zich onttrekt aan het historische schema.