De Bintangs in je Rijam; Het foto-archief van Nico van der Stam

Toen de popmuziek in het begin van de jaren zestig opkwam, was al snel duidelijk dat popsterren en fotografen elkaar nodig hadden. Wat ze met elkaar aanmoesten was niet duidelijk - een beeldcultuur voor popmuziek bestond nog niet. In de foto's van Nico van der Stam is het zoeken naar een oplossing goed te volgen. “De roemruchte West Coast-groep Moby Grape staat er ook onwennig op, maar het is wel de meest onthullende foto die er van deze groep is gemaakt.”

Er bestaan vroege filmopnamen van Little Richard in een keurig zomerkostuum. Hij zingt en speelt alsof hij nooit anders gedaan heeft. De rock 'n' roll was een splinternieuwe uitvinding, maar 'Tutti Frutti', 'Long Tall Sally', 'Rip It Up' en al die andere nummers klonken meteen zoals het moest. In merkwaardig contrast met de trefzekere muziek stonden de bewegingen van de jonge rocker. Hij stond wel te huppelen en springen achter zijn piano, maar soepel kon je het niet noemen. Houterig zou je nu zeggen, zoekend, onbeholpen. Datzelfde kun je zien bij de eerste televisieoptredens van de Rolling Stones. Dat Brian Jones net doet of hij er niet bij hoort en dat Charlie Watts geen spier vertrekt, daar kijk je niet van op, dat deden ze later ook. Maar dat Mick Jagger in het begin nog helemaal niet kon dansen, dat is merkwaardig. En ook de jongens en meisjes die in Moef Ga Ga of Teenbeat meehupten met de muziek moesten de eerste beginselen van het beatdansen nog leren; elk kind van 11 danst nu beter dan de tieners van toen.

De popmuziek was in het begin zo nieuw, dat de bijbehorende presentatie en de choreografie nog niet beschikbaar waren. Welk gezicht moest je erbij trekken? Welke passen moest je maken? Welke kleren trok je aan? Het is een van de charmes van de vroege popmuziek dat nog lang niet iedereen dat wist.

Die onzekerheid, dat zoeken naar de juiste houding zijn goed te zien op de foto's die Nico van der Stam in het begin van de jaren zestig maakte. Het zijn foto's van musici, zangers, cabaretiers, humoristen en andere beroemde mensen van die tijd. Onlangs verwierf het Maria Austria Instituut in Amsterdam het complete zwartwit-archief van deze fotograaf. Bijna 300.000 negatieven telt het archief, zorgvuldig in ordners opgeborgen. Ze vormen het resultaat van talloze opdrachten, van platenmaatschappijen, van het alternatieve blad Hitweek (later: Aloha) en andere muziektijdschriften. Een belangrijk medium was ook de Rijam-schoolagenda. Voor tienduizenden scholieren was intensieve studie van de foto's van Françoise Hardy en The Dave Clark Five het enige middel om de uren op de achterste bank door te komen.

Bull Verwey

Van der Stam heeft ook royaal de bekende Nederlanders van zijn tijd gefotografeerd: Bull Verwey, Bert Garthoff, Leo Horn, Godfried Bomans, G.K. van het Reve, ze zijn allemaal vertegenwoordigd. Sommigen met een tamelijk stereotiepe plaat, zoals Bomans. Van anderen verrast de foto door iets dat tot dusverre verborgen is gebleven: Reve poseert glimlachend en als keurige jongeman naast een oude kast, Prinses Beatrix bereidt zich in zenuwachtige vrolijkheid voor op een radiotoespraak.

Van der Stam (1925) is niet zo gezond meer. Zijn archief was opgeslagen bij een bevriende fotograaf, onder lang niet ideale omstandigheden. Nu staan de ordners veilig in een geklimatiseerde ruimte in het Austria-Instituut. Dat is een bevredigende ontwikkeling, want de foto's van Van der Stam zullen alleen maar aan belang winnen.

Gelukkig heeft hij zijn foto's altijd gearchiveerd. Er is een zorgvuldig bijgehouden kaartsysteem, op onderwerp, en menig kaartje werkt als een kwartje in een jukebox. Armand, de Heikrekels, Wil Tura, The Motions, de Selvera's, Cilla Black, Melanie, Jimi Hendrix, Anneke Grönloh, Esther Ofarim, Astrud Gilberto, Aretha Franklin, Wally Tax, Q65 - ze zijn diep in het bewustzijn van een naoorlogse generatie verankerd. En zoals de ontelbare negatiefstroken, opgeborgen in ritselend pergamijn bewijzen, ze hebben ook allemaal voor de lens van Van der Stams Rolleiflex gestaan.

In die sessies is pionierswerk verricht. Wat fotografen en popsterren met elkaar aanmoesten was nog niet duidelijk. Wel stond vast dat ze elkaar nodig hadden. De televisie speelde nog geen rol van betekenis. Het medium verkeerde nog in zijn beginjaren, en er was geen denken aan dat de schaarse zendtijd aan zoiets banaals als popmuziek zou worden gewijd. Het medium van de popmuziek was de grammofoonplaat, en de visuele ondersteuning bleef beperkt tot de fotografie. Op de platenhoes, en in blaadjes als Tuney Tunes en Muziek Express.

Maar daar zag je steeds dezelfde foto's. Van de Everly Brothers waren misschien twee foto's bekend, en de Beach Boys zag je steeds weer met diezelfde surfplank lopen. Er moesten meer foto's komen, en het beschikbare repertoire van poses en ensceneringen voldeed niet meer. Conny Froboess en Pat Boone kwamen op een fraai uitgelichte studio-opname nog wel tot hun recht, maar voor het in beeld brengen van The Who en Jimi Hendrix moesten andere middelen beschikbaar komen. Beelden en poses die niet verbonden waren met de muziek waarvan de nieuwe jeugdcultuur juist nadrukkelijk afstand wilde houden. Het informele van de nieuwe muziek moest zichtbaar worden, op de foto's moest te zien zijn dat de afstand tussen publiek en muzikant eigenlijk heel klein was. De fotografie moest de aanstormende levensstijl vastleggen, maar ook helpen vormgeven.

Toptalent

Waarschijnlijk zijn dat soort overwegingen niet op die manier door het hoofd van de fotografen en de muzikanten gegaan. Waarschijnlijk hebben ze het alleen maar aangevoeld. Maar de foto's van Van der Stam staan onmiskenbaar in het teken van die pogingen. Soms lukte het niet; zoals bij Rudy Bennett, solozanger van The Motions. De foto is blijven steken in het type studioportret dat toen al tot het verleden behoorde - en op de foto is te zien dat Bennett ook zijn twijfels heeft. De roemruchte West Coast groep Moby Grape staat er ook onwennig op, maar het is wel een van de meest onthullende foto's die van deze groep is gemaakt. Van der Stam ging vlak bij ze staan, en de spanningen die deze verzameling toptalent uiteindelijk zouden splijten bleven niet onopgemerkt.

Van der Stam klom op de podia om de muzikanten op gelijke hoogte te fotograferen. Zie zijn foto's van de Stones tijdens hun korte en wereldberoemde optreden in Scheveningen (1964). Zie ook zijn prachtige foto van een jonge Aretha Franklin bij een repetitie, of zijn opname van Ella Fitzgerald in het Concertgebouw.

Van der Stam was een van de eersten die de popmusici mee naar buiten nam. De Bintangs werden afgebeeld tegen een achtergrond van slooppanden. Naar de foto's van Jimi Hendrix, gemaakt tijdens zijn enige bezoek in Nederland (1967) kun je lang kijken. Hij werd geposteerd voor de ingang van het Lurelei-theater. Je ziet de held zoals hij later niet meer te zien was, verlegen, onwennig, bereid om de aanwijzingen van de fotograaf op te volgen.

Het zijn historische opnamen, niet omdat ze definitief tot het verleden behoren, maar omdat ze gemaakt werden in die cruciale periode dat de popmuziek, nog beduusd van zijn plotselinge succes, zocht naar zijn visuele mogelijkheden.

De muzikanten van tegenwoordig zijn veel verder, de beste fotografen en filmers zijn net goed genoeg. De beeldcultuur is geëxplodeerd, de poses volgen elkaar snel op en de popsterren zijn ruw materiaal in de beeldmixers van art directors geworden. Wat weg is, dat is de frisse argeloosheid van het begin van de jaren zestig. De nieuwsgierige oogopslag van Jimi Hendrix, de nerveuze mond van Jacques Brel. Wat hun foto's zo ontroerend maakt is dit: dat ze nog niet wisten wat wij nu wel weten. Dat ze wereldberoemd zouden worden, dat hun platen dertig jaar later nog steeds over de toonbank zouden gaan.

    • Warna Oosterbaan