Bouwers aan een Ierse vrede

Eamon Mallie & David McKittrick, . The secret story behind the Irish peace process, Heinemann. 393 blz., ƒ 29,95

Nog niet hadden Eamon Mallie en David McKittrick, twee van Noord-Ierlands meest gerespecteerde journalisten, het manuscript van hun boek ingeleverd bij de uitgever, of ze werden ingehaald door de feiten. Tussen april jl. en de dag van vandaag ligt een nieuwe gebeurtenis die kan worden bijgeschreven op de lange lijst van wederzijdse grieven in een verdeelde gemeenschap: het keerpunt Drumcree. In Drumcree, in juli, drukten de Unionisten hun superieure zin door en demonstreerden hun numerieke en psychologische overmacht door in strijd met de wens van de (katholieke) bewoners die het aanging, hun Oranjemars door te zetten. 'No surrender', niet aan de katholieken, niet aan Dublin en al helemaal niet aan president Clinton, die allen op ondermijning van de unionistische hegemonie in Noord-Ierland uit zijn. Na twee jaar 'vredesproces' hen door Dublin en Londen door de strot gedrukt: “Tot hier toe en niet verder”.

Dat de RUC (de politie in Noord-Ierland) en de Britse minister voor Noord-Ierland voor die overmacht door de knieën gingen, doodde bij zelfs gematigde nationalisten de hoop dat er ooit een compromis kan worden gevonden waarin de katholieke minderheid en de protestantse meerderheid met elkaar leren leven. En voor de hardliners onder de republikeinen was Drumcree en het daaropvolgende hardhandige politieoptreden tegen de buurtbewoners het bewijs: als er dan niemand voor hen wilde opkomen, dan mat de IRA zich terecht de mantel van beschermer van een bedreigde minderheid aan.

David McKittrick is de Noord-Ierland-correspondent van The Independent. In een media-klimaat dat maar al te gemakkelijk hetzerige en partijdige berichtgeving in de hand werkt, zorgt hij sinds jaren voor een welingelicht en kalm-analytisch geluid. En als Eamon Mallie zijn microfoon onder de neus van Sir Patrick Mayhew, minister voor Noord-Ierland, drukt, trekt die bleekjes weg. Het was Eamon Mallie die er op het hoogtepunt van de IRA-geweldscampagne op het 'vasteland' van Groot Brittannië achter kwam dat de Britse regering al jaren stiekem onderhandelde met diezelfde IRA. Dat was een monumentale ontdekking, alleen al omdat John Major het Lagerhuis net had verzekerd dat bij de gedachte aan onderhandelen met terroristen die in het centrum van Warringtons op de voormiddag van moederdag twee kinderen hadden opgeblazen 'zijn maag omdraaide'. Toen Mallie de woordvoerder van de minister met zijn bewijsmateriaal confronteerde, beschuldigde die de journalist van het koesteren van “het soort verzinsels dat je in spionageromans tegenkomt”. Maar Mallie had gelijk en toen de minister documenten overlegde in een poging de inhoud van de contacten met de IRA/Sinn Fein als beperkt te demonstreren waren Mallie en McKittrick onder degenen die al snel uitvonden dat er in die documenten was geknoeid. Minister Mayhew voelde zich toen wel gedwongen zijn ontslag aan te bieden, maar premier Major achtte het verstandiger de IRA een dergelijke propagandacoup niet te gunnen.

Mallie en McKittricks boek over het tot stand komen van 'het vredesproces' mag dan zijn overschaduwd door Drumcree, waardeloos geworden is het niet. “Dit boek detailleert een vredesproces,” schrijven de auteurs, “dat maar al te vaak zo dood als een pier leek, en dat toch keer op keer weer leven ingeblazen kreeg, tegen alle berekeningen in.” Hoe die hulp-bij-ongelukken tot stand kwam, wie de levensreddende hoofdrolspelers waren en waarom ze politiek risico wilden lopen in de hoop op vrede - dat is waar dit boek over gaat. Voor niet-Ierland-fanaten misschien wel eens te gedetaillleerd, proberen de auteurs te achterhalen hoe en door wie het uiteindelijk zover kwam dat de Britse en de Ierse premier hun historisch antagonisme vergaten. Ze beschrijven hoe zij ruimte maakten voor elkaars tradities en gevoeligheden in een verdeeld stuk van het eiland Ierland, en een pact sloten dat zelfs de hardliners in de republikeinse beweging overhaalde tot de gedachte dat ze mogelijk met politiek zouden kunnen bereiken, wat met het hanteren van geweld niet in het verschiet lag. De bekers voor the good guys gaan voor wat de politici betreft, naar de gematigde nationalistenleider John Hume en de voormalige Ierse premier Albert Reynolds. “John Hume is de held die het allemaal in gang heeft gezet, maar Albert pikte de bal op en manoeuvreerde hem het veld door”, is ergens de verwoording. Gerry Adams verdient een rozet voor zijn intellect en voor zijn bereidheid zijn nek uit te steken tegen een achterban die zonder hem nog steeds de politieke optie niet als mogelijkheid zou hebben gezien. John Major krijgt een bescheiden plak, als loon voor zijn bereidheid om als eerste Britse premier in honderd jaar Noord-Ierland aan de top van zijn persoonlijke agenda te zetten. Maar die beperkte glorie wordt weer teniet gedaan door het feit dat hij, gevoed door een falende inlichtingendienst, zo treuzelde met het 'belonen' van de republikeinen voor hun staakt-het-vuren, dat de hardliners hun wapenstilstand opgaven in het geloof dat ze “zoals altijd” door Londen werden belazerd. Nu resten formeel alleen nog de ronde tafel-gesprekken tussen vertegenwoordigers van alle politieke partijen in Noord-Ierland, maar hoe serieus die genomen worden blijkt alleen al uit het feit dat potentiële deelnemers daaraan, inclusief de Amerikaanse senator Mitchell als bemiddelaar, onlangs voor twee maanden met vakantie zijn gegaan.

The Fight for Peace is verplichte literatuur voor elk diplomatenklasje. De teksten waarop elkaar opponerende partijen elkaar telkens weer blijken te kunnen vinden, omdat ze er elk het eigen standpunt in achten weergegeven, worden hier bijgeleverd. Ze zijn - zoals een Ierse diplomaat het bewonderend uitdrukt - stuk voor stuk “een meesterstuk van constructieve tweeslachtigheid”. Maar daarnaast is het boek ook instructief omdat het laat zien dat er geen vredesproces geweest zou zijn, als er geen doodgewone mensen hun best zouden hebben gedaan om openingen te vinden naar wat gewoonlijk heet 'de andere traditie'. Onder hen gaat de ereprijs naar de volstrekt anoniem gebleven priester Father Alec Reid, een Redemptorist uit West-Belfast. Door zijn aanhoudende inspanningen kwam Gerry Adams in contact met John Hume en bleef Dublin op de hoogte van het veranderende denken bij de republikeinen, zodat het druk op Londen kon uitoefenen om een andere benadering te proberen. Want ook Dublin had zijn geheime contacten met de IRA/Sinn Feín. Ieder van de hoofdrolspelers in het vredesproces had zo meer kaarten achter de hand en niemand wist precies van de ander wat er gaande was.

Wat lezing van het boek ook nog eens voelbaar maakt is hoe absoluut van elkaar afgewend het merendeel van katholiek en protestant in Noord-Ierland naast elkaar leven. De enkele protestantse dominee die zijn nek uitsteekt en zich in diep geheim in het hol van de paapse traditie waagt, legt de vinger op de zere plek wanneer hij zijn gehoor voorhoudt: “We moeten leren met elkaar te praten. Omdat dat niet gebeurt, is er aan beide kanten een hoop spanning en boosheid en rancune opgebouwd. Er zijn enorme misvattingen. We zijn geen vrienden van elkaar, we hebben niet de emotionele binding die we nodig hebben als we een samenleving willen opbouwen waarin we allemaal graag willen verkeren. Er is geen toekomst als we geen vrienden van elkaar willen worden.”

Zeer sterk is het boek in het analyseren van het denkproces dat Gerry Adams, de voormalige barman uit West-Belfast, ertoe bracht de politieke optie bij zijn achterban aan te bevelen. De Sinn Féin-leider is voor de Britten een haat-figuur. Elke keer dat op zijn schouder de lijkkist van een IRA-bommenlegger naar het graf wordt gedragen, elke keer dat hij weigert in zoveel woorden een nieuwe gruwelijke aanslag publiekelijk te veroordelen, wordt die haat compacter. Maar hier wordt Adams ook getekend als pragmatisch, flexibel, iemand die loyaliteit inspireert, die dialoog niet uit de weg gaat en die openstaat voor nieuwe initiatieven. Zelfs Britse onderhandelaars achten hem 'onverwacht warm' en een voormalig diplomaat merkt op: “Ik denk dat de mensen in Groot Brittannië en Ierland zich gelukkig mogen prijzen om het feit dat ze in én Gerry Adams én John Hume beschikken over personen van een ongewoon intellectuele begaafdheid.” En nu is het dus allemaal rampzalig verkeerd gegaan. Zeventien maanden, tot de bom bij Canary Wharf in Londens Docklands in februari jl., duurde het staakt-het-vuren van de IRA. Dat van de loyalistische paramilitairen houdt nog steeds, maar staat volgens de laatste berichten op het punt van bezwijken. Net als voor de rest van de westerse wereld gold met de dood van John Kennedy, weet bijna elke Ier nu nog waar hij was en wat hij deed op de avond van 1 september 1994, toen de IRA zijn staakt-het-vuren afkondigde. Vijfentwintig jaar geweld in de provincie, met een dodenaantal van boven de 3000, was opeens ten einde. Vrede brak uit.

In een recent stuk voor The Independent onder de kop: 'Ulster: terug naar af', somde McKittrick alle redenen op om somber te zijn over hervatting van het vredesproces. John Hume is bijna 60 jaar en in slechte gezondheid. Albert Reynolds is van het politieke toneel verdwenen - gevallen over een vleesschandaal - en zijn opponent-opvolger John Bruton is minder geïnteresseerd. John Major loopt politiek op zijn laatste benen en heeft de Unionisten meer dan ooit nodig om in het zadel te blijven. In Noord-Ierland zelf hebben Drumcree en de daarna oplaaiende rellen van nationalistische zijde geleid tot het wegvagen van elk moeizaam bereikt stukje middleground. Zelfs optimisten spreken van een sectarische verdeeldheid, dieper en bijtender dan in tijden. En de politiek van de boycot op grond van 'traditie' is terug: katholieken kopen niet bij protestanten en omgekeerd. De analyse van de republikeinse beweging dat het politieke pad de moeite van het proberen waard leek omdat “alle boten in dezelfde richting roeien” is binnen twee jaar in haar tegendeel verkeerd. En kan Gerry Adams na dit fiasco zijn achterban een tweede keer overhalen?

Maar is er dan helemaal geen reden tot hoop? Misschien het feit dat de IRA - om wat voor reden ook - in Noord-Ierland zelf zijn bommencampagne niet heeft hervat. De recente aanslag op een hotel in Kilkenny was het werk van een splintergroep. En dan is er de hoop dat achter de schermen zulke bergenverzetters als Father Alec Reid en dominee Ken Newell niet opgeven.

“Bijna het beste wat ik ervan kan zeggen,” schrijft McKittrick, “is dat Noord Ierland andere donkere momenten ook altijd heeft overleefd en dat vooruitgang dan onverwacht toch mogelijk bleek.”